zondag 11 juli 2010

Warmte voor wie zich aan de regels hield

Van veilige afstand staan de jaren vijftig tegenwoordig weer te boek als een ‘warme’ periode, waarin het individu beschutting vond in het veilige milieu van gezin en kerk. In deze jaren van veiligheid en saamhorigheid zou de mens nog niet aangestoken zijn door het virus van zelfontplooiing en individualisme.
Hoewel de traditionele zuilen ongetwijfeld geborgenheid boden, propageerden zij ook praktijken die wij tegenwoordig als kil en harteloos zouden beschouwen. In 1960 was een ongehuwde moeder nog een ‘zondares’, een schande voor de familie. ‘Gevallen vrouwen’ werden als gestoord beschouwd. Artsen en geestelijken zetten de moeder onder druk om haar kind voor adoptie af te staan. Bij de bevalling werd een scherm geplaatst, zodat de moeder haar baby niet zou zien. Anders zou ze zich maar aan het kind gaan hechten.
In de jaren vijftig werden jaarlijks tientallen homo’s gecastreerd. Vaak op eigen verzoek. Geestelijken en psychiaters vertelden homo’s dat zij ziek en zondig waren. Sommigen gingen nog liever seksloos door het leven dan altijd gekweld te worden door schuldgevoel.
Deze praktijken waren het product van een hiërarchische samenleving, waarin hetero’s boven homo’s stonden, mannen boven vrouwen, burgers boven arbeiders, geestelijken boven hun gelovigen. De machthebbers schreven hun normen en waarden voor aan de minder machtigen, die maar hadden te luisteren. Op die manier werd het individu ondergeschikt gemaakt aan de maatschappelijke orde. Het collectieve ‘fatsoen’ was belangrijker dan de individuele liefde voor een ‘onecht’ kind of een partner van gelijk geslacht. De warmte en geborgenheid van de eigen kring waren slechts bestemd voor wie zich aan de regels hield. Wie daarvan afweek, werd hardhandig tot de orde geroepen en, als dat niet hielp, uitgestoten.

uit: Laat me feesten : het eeuwige misverstand over jongeren - Peter Giesen


____