De nazi’s hadden bondgenoten en aanhangers onder alle sociale klassen in Duitsland, zowel onder arbeiders als onder aristocraten. Eigenlijk is [graaf Harry] Kessler op zijn best wanneer hij ironisch verslag doet van het laaghartige gekonkel van rijke industriëlen en conservatieve politici, die neerkeken op Hitler, maar dachten dat ze het vulgaire korporaaltje voor hun eigen doeleinden konden gebruiken. (…) Tegelijkertijd was het juist die minachting van de hogere bourgeoisie voor kleine lieden die ertoe bijdroeg Hitler aan de macht te brengen. Want veel te veel ‘verfijnde’ Duitsers cultiveerden hun geest, maar lieten de politiek over aan mensen die ze als minder dan zichzelf beschouwden. Dat was niet zozeer een kwestie van
Zeitgeist, zoals Kessler beweerde, als wel van antipolitieke kieskeurigheid. Verheven smaak leidde tot een buitengewoon hoge cultuur in het vooroorlogse Duitsland, maar
Schöngeisterei, de esthetische benadering van het leven, was geen stevige pijler om de wankelende republiek te steunen.
Kessler was van het begin af aan een vijand van de nazi’s. Maar omdat de nazi’s volgens hem kleinburgers waren, kon je niet verwachten dat ze zouden komen met iets dat niet verachtelijk was. In zekere zin was de oude monarchie nog erger, in zijn visie, vanwege de verschrikkelijke pretenties. De nazi’s waren barbaren, maar de keizer en zijn entourage waren aristocratische filistijnen, en dat was eigenlijk nog moeilijker te vergeven. Niets ergerde Kessler meer dan geassocieerd te worden met het
ancien régime, alleen omdat Wilhelm I zijn moeder wel had zien zitten.
vertaald door Nelleke van MaarenDansen op een deinend dek [fragment]
uit:
Het circus van Max Beckmann en andere essays - Ian Buruma

____