Van een zin als
Mijn pen ligt daar kan men zeggen dat deze optimaal gunstig is ingericht om naar een uniek voorwerp – mijn pen – te verwijzen: om het nog mooier te maken, kunnen we nog stipuleren dat het gezegde
ligt daar een verwijzing bevat binnen de waarnemingssituatie. Maar nu loop ik met iemand door de Kalverstraat en ik zie in de etalage van een vulpennenwinkel mijn rode pen liggen (zo spreek ik al voor mijn beurt, want ik had moeten zeggen: een pen van hetzelfde type en dezelfde kleur als de mijne). Zonder enig misverstand kan ik als mijn wijsvinger voldoende onderscheidend de juiste richting aangeeft, zeggen:
‘Kijk, daar ligt mijn pen’, zoals ik ook, lopend op straat, of rijdend in mijn witte Citroen GS van een andere witte Citroen GS kan zeggen:
‘Kijk, daar rijdt mijn auto’.
Mijn hoofdstelling kan na deze beschouwing over het mentale lexicon worden bijgesteld: taal heeft de eigenschap weg te vluchten naar hogere abstractieniveaus en vermijdt het eenduidig betrekking te hebben op wat we waarnemend als onherhaalbare, dus unieke verschijningsvormen ervaren. Deze eigenschap is verbonden met onze mogelijkheid Boole’s te rekenen, waardoor we kunnen generaliseren over verschijningsvormen en objecten. Ook de opbouw van het mentale lexicon wordt gekenmerkt door Boole’s operaties op ons kennisbestand, waardoor we bij de opbouw van onze begrippen kunnen afzien van niet relevante informatie in nieuwe waarnemingssituaties.
uit:
Verdiepingen in taal - H.J. Verkuyl

____