In 1958 publiceerde Elsevier in een wat kleiner formaat dan de cultuuratlassen, maar over een aanzienlijk ruimer bemeten onderwerp de
Atlas van het heelal, van de hand van Ernst de Vries en Tj.E. de Vries. Wat daarin te lezen viel, prikkelde mijn romantische verbeelding evenzeer als Cerams geschiedenis van de archeologie. Zozeer zelfs dat ik besloot, mogelijkerwijze preluderend op een bestaan als astronoom, alvast amateur-astronoom te worden. Na flink sparen kocht ik een kleine telescoop (90mm refractor), waarmee ik in de toen nog aardedonkere uiterwaarden bij Wageningen waarnemingen deed. Ik stelde mij voor dat ik ’s nachts, warm gekleed tegen de koude op de bergtoppen waar de grote telescopen stonden, door het oculair van een reuzentelescoop in de peilloze diepten van het heelal zou staan kijken naar fraai oplichtende sterrenstelsels. Ik had een foto van de Amerikaanse astronoom Edwin Hubble gezien die een dergelijke gang van zaken suggereerde. Dat ik geen astronoom ben geworden, had twee oorzaken. Ten eerste stelden mijn waarnemingen mij eerlijk gezegd enigszins teleur. De enige hemellichamen die door mijn kijkertje boven verwachting presteerden, waren de zon en de maan. Door de telescoop was de maan veel helderder en scherper dan ik hem ooit op foto’s had gezien en met een eenvoudig hulpstuk ter bescherming van het oog waren ook de zonnevlekken een interessant object. De waarneming van de planeten en andere sterrenstelsels was echter moeizaam en weinig bevredigend. Het was dat ik wist dat Saturnus ringen had, anders had het ook wel een klein kopje met twee oortjes kunnen zijn. Ook eind jaren vijftig waren de foto’s van de diverse fenomenen in het heelal al zo spectaculair dat de eigen waarneming daar altijd wat schraal bij afstak. De tweede reden dat ik maar van de astronomie heb afgezien, was dat ik in de wiskunde nooit meer ben geweest dan een zeventjesklant.
Een leesgeschiedenis [fragment]
uit:
De wereld volgens Maarten van Rossem - Maarten van Rossem

____