In welluidend, gaaf Latijn – dat het best hardop kan worden gelezen – staat op 663 foliobladzijden de bouw van de mens beschreven; 278 gravures illustreren de tekst onverbeterlijk. De illustraties zijn gemaakt door J.S. van Kalkar, die in de Lage Landen geboren was en bij Titiaan het tekenen had geleerd. In elegante houdingen staan de anatomische mensfiguren voor een tafereel uit de bewoonde wereld. De achtergronden op de reeks platen sluiten aan: zij vormen de natuurgetrouwe weergave van het landschap ten zuidwesten van Padua. In 1950 verscheen een facsimile van de eerste druk, voorzien van de originele houtsneden, voor zover die nog behouden waren gebleven.
De fouten in De Fabrica zijn meermalen besproken; vaak wordt beweerd dat de mensen in zestiende-eeuwse anatomieën, en dus ook die van Vesalius, voortkwamen uit het napraten van Galenus, maar dat is toch te makkelijk gezegd.
Natuuronderzoekers kijken met de ogen van degenen die zij zijn toegedaan, van gelijkgezinde voorgangers of tijdgenoten. Zij zijn, vroeger en nu, geneigd het te wijten aan eigen onvermogen als zij niet slagen om te constateren wat zij verwachten te zien. Slechts als na langdurig zoeken en proberen bevestiging van te verwachten feiten uitblijft, zal aan vergissingen van de vertrouwde voorgangers kunnen worden gedacht.
In de zestiende eeuw waren onderzoekers, dat spreekt vanzelf, anders geconditioneerd dan tegenwoordig. Zij hadden geleerd dat de gevestigde meningen van deskundige voorgangers en het daarop rustende gezag van eigentijdse leiders zwaarder moesten wegen dan hun eigen gedachten en conclusies. De theologie liet katholieke natuuronderzoekers zien hoe, als dat principe verlaten werd, de waarheid in het gedrang kwam (Luther; 1517).
Biologen ontmoetten, bovendien, de opvattingen van coryfeeën uit het verleden in de boeken, zwart op wit gedrukt, en de magie van de drukpers versterkte hen in hun geloof aan het medegedeelde. Want wat ‘man schwarz auf weisz besitz kann man getröst nach Hause tragen’ zoals Goethe de duivel zielstevreden zo’n driehonderd jaar later laat zeggen. Voor verreweg de meesten was dat toen zo en bleef het zo tot eind achttiende eeuw, tot de ‘Verlichting’.
De zestiende eeuw [fragment]
uit: Wat is leven? : een cultuurgeschiedenis van de biologie - H.C.D. De Wit

____