De duidelijkste illustratie van die expansieve drang [de droom van de Verlichting het geluk bereikbaar te maken voor hele samenlevingen en zelfs voor de mensheid als geheel] is de beroemde achttiende-eeuwse formule ‘het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen’, of ‘het grootst mogelijke goed voor het grootst mogelijke aantal mensen’, waarmee hetzelfde wordt bedoeld. Dit devies van het utilitarisme wordt gewoonlijk toegeschreven aan de Engelse advocaat en theoreticus Jeremy Bentham, maar was al eerder in omloop. Inderdaad herhaalde Bentham alleen maar een wijdverbreide overtuiging uit de achttiende eeuw toen hij in zijn
Fragment of Government uit 1776 verklaarde: ‘Het grootste geluk voor het grootste aantal is de maatstaf voor goed en kwaad’, en het utiliteitsprincipe definieerde als ‘het principe dat elke handeling goed- of afkeurt, al naar gelang de tendens die ze lijkt te hebben tot vermeerdering of vermindering van het geluk van de belanghebbende partij’. Uiteenlopende figuren als de Schotse moralist en hoogleraar aan de universiteit van Glasgow Francis Hutcheson, de Duitse natuurwetenschapper en wiskundige Gottfried Wilhelm von Leibniz, de Italiaanse rechtstheoreticus Cesare Beccaria, de Franse filosoof Claude-Adrien Helvétius en de Franse historicus en militair de Marquis de Chastellux hadden de gelukkige zinsnede allemaal al in de een of andere vorm gebruikt. Dat deden ze in een gezamenlijke inspanning ten behoeve van wat een criticus heeft omschreven als de grote poging van de Verlichting om ‘een menswetenschap te creëren op basis van numerieke graadmeters voor alle menselijke activiteiten’.
Zo merkt Hutcheson in zijn
Inquiry into the Original of Our Ideas of Beauty and Virtue uit 1725 op dat ‘die handeling de beste is die het grootste geluk bewerkstelligt voor de grootste aantallen, en die handeling de slechtste die hetzelfde doet met ellende’. De eerste editie van het boek had een nog veelzeggender ondertitel, die het werk aanprees als ‘een poging om een wiskundige berekening toe te passen op ethische onderwerpen’. Later formuleerde Hutcheson het anders, zonder de poging evenwel op te geven. Hutcheson probeert in het boek algebraïsche formules op te stellen om goedheid mee te berekenen; hij definieert deze goedheid als de wens om anderen gelukkig te maken. Zo komt hij tot de volgende formule, waarbij G staat voor goedheid, B voor bekwaamheid, Z voor zelfzucht, I voor interesse en M voor goed moment:
M = (G + Z) x B = GB + ZB; dus GB = M – ZB = M - I, en G = M + 1 .
__________________________________________°°°°°°°°°_B
In het laatste geval geldt dat M = (G - Z) x B = GB – ZB;
dus GB = M + ZB = M + 1, en G = M + 1 .
_________________________°°°B
vertaald door Corrie van den Berg en Carola KloosVanzelfsprekende waarheden [fragment]
uit:
Geluk : een geschiedenis - Darrin M. McMahon

____