Voorop stond de kwestie van het anti-semitisme; voor de persoonlijke problemen van joodse intellectuelen was dit de belangrijkste. Ofschoon het anti-semitisme uitvoerig was beschreven, vooral in zijn tamelijk onschuldige sociale aspecten, was het nooit geanalyseerd vanuit politieke redenen en in de context van de algemene politieke situatie van die tijd. Het werd verklaard als de natuurlijke reactie van een volk op een ander volk, alsof zij twee natuurlijke substanties waren die door een geheimzinnige natuurwet bestemd waren om elkaar tot in de eeuwigheid te bestrijden.
Deze beoordeling van het anti-semitisme – als een eeuwigdurend verschijnsel dat onontkoombaar meewandelde met de joodse geschiedenis in alle landen van de diaspora – nam soms een rationelere vorm aan wanneer het uitgelegd werd met behulp van begrippen van de nationale staat. Dan kon anti-semitisme opkomen als een ‘gevoel van grensspanning’, te vergelijken met de ‘spanning tussen naties […] aan de nationale grenzen waar het voortdurende menselijk contact tussen nationale groepen die onenigheid hebben, het internationale conflict telkens nieuw leven zal inblazen’ (Kurt Blumenfeld). Maar zelfs deze meest verregaande interpretatie, waarin althans één aspect van de jodenhaat terecht wordt toegeschreven aan de organisatie van volken op nationale basis, veronderstelt nog steeds de eeuwigheid van het anti-semitisme in een eeuwige wereld van naties en ontkent het joodse aandeel in de verantwoordelijkheid voor de heersende omstandigheden. Daarbij snijdt deze uitleg niet alleen de joodse geschiedenis van de Europese geschiedenis en zelfs van de rest van de mensheid, maar negeert hij ook de rol die de Europese joden speelden bij het opbouwen en functioneren van de nationale staat. De interpretatie is daarmee teruggebracht tot de – even willekeurige als absurde – aanname dat elke niet-jood die met joden samenleeft bewust of onbewust wel een jodenhater moet worden.
Deze zionistische houding jegens het anti-semitisme – die wel moest kloppen juist omdat ze irrationeel was en daarom iets wat onverklaarbaar was verklaarde en iets wat kon worden verklaard naliet te verklaren – leidde tot een zeer gevaarlijke foute taxatie van de politieke omstandigheden in elk land. Anti-semitische partijen en bewegingen werden niet aan een nadere beschouwing onderworpen, ze werden gezien als werkelijk representatief voor de hele natie en daarom als niet waard te worden bestreden. En omdat de joden, nog immer volgens het patroon van de volken uit de klassieke Oudheid met hun eigen oude tradities, de hele mensheid verdeelden in zijzelf en de vreemdelingen, in joden en gojiem, zoals de Grieken de wereld verdeelden in Grieken en barbaroi, waren zij maar al te zeer bereid om een a-politieke en a-historische verklaring voor de vijandigheid jegens hen te accepteren. In hun opvatting over anti-semitisme konden de zionisten eenvoudig teruggrijpen op deze joodse traditie. Zij stuitten nauwelijks op serieuze tegenstand zolang zij maar appelleerden aan deze joodse grondhouding, of ze zich nu uitdrukten in halfmystieke dan wel – de mode van hun tijd volgend – in halfwetenschappelijke termen. Zij versterkten het gevaarlijke, aloude en diepgewortelde wantrouwen van joden jegens niet-joden.
vertaald door Hella Rottenberg
Het zionisme bij nader inzien [fragment]
uit: Het zionisme bij nader inzien - Hannah Arendt

____