woensdag 8 december 2010

Inspiratiebron zijn

Om de weg te begrijpen die een meisje af te leggen heeft om hoer te worden, moet je de betekenis van het woord ‘hoer’ kennen. Bij ons is een ‘hoer’ niet elke vrouw die haar lichaam geeft om aan de grillen van een rijke en veeleisende heer te voldoen, hoer is elke vrouw die zich in de manier waarop ze zich kleedt en gedraagt zogezegd libertijns voortdoet. Wat niet noodzakelijkerwijs betekent dat die vrouw het ene bed na het andere induikt; integendeel, dit komt vrijwel nooit voor. ‘Hoer’ is slechts een etiket, een vrijbrief voor andermans roddel, een soort maatschappelijk werk.
Om deze laatste bewering te kunnen begrijpen, moet je de dorpsgeest grondig kennen. Bij ons is vrijwel niemand inslecht, en roddelen is niet – zoals velen denken – een afkeurenswaardige bezigheid van kwaadaardige lieden. Mijn dorp heeft nooit veel te bieden gehad, geen activiteiten, geen vertier, en wanneer het lichaam inert is gedijt de geest.
In werkelijkheid is achterklap een uiting van uitzonderlijke verbeelding, een uit kleurnuances en kleine details opgebouwde kunstvorm, bijna een inlegwerk. Het gaat niet alleen om het rondvertellen van andermans zaken, het is veel meer. Het is gewoon een manier om de geest te scherpen, een wedstrijd in verbeeldingskracht. Het getuigt wellicht niet van goede smaak, maar eenieder heeft genoegen te nemen met wat het leven hem biedt.
Het maatschappelijk werk van de hoer bestaat met name hierin: inspiratiebron zijn. Een feit is echter dat ondank ’s werelds loon is: in plaats dat die nieuwbakken verpleegstertjes gerespecteerd worden, worden ze uit de hoogte te bekeken. Maar ook dat gebeurt niet uit boosaardigheid; het is namelijk zo dat de menselijke geest zich in al zijn hartstocht bijna vernederd voelt zich met zulke aardse zaken te moeten bezighouden, zonder te kunnen mijmeren over het hogere. Men geeft er de voorkeur aan zijn gedachten te wijden aan die brave schapen die het huis slechts verlaten om naar school of naar de mis te gaan, teneinde iets duisters te ontdekken in hun manier van lopen, van knielen of van kijken. En als er echt niets duisters te bekennen valt, tja, waartoe dient dan de verbeelding?
‘Rosetta is zondag niet naar de mis geweest… God mag weten waar ze uithing, en met wie…’

vertaald door Carlo Depreytere

uit: Ik wilde een broek - Lara Cardella


____