Zijn vriendjes waren vroeger van dezelfde makelij geweest; ze wisten hoe je een hut moest bouwen, hoe je een band moest plakken, waar vis zat en op welke manier je je zakgeld kon aanvullen. Hun benijdenswaardigste eigenschap was dat ze geen twijfel kenden. Ze bewogen zich door hun jeugd met een vanzelfsprekendheid die hem altijd had ontbroken. Alles was voor hèn geschapen – vissen in het water, vogels in de lucht, jongetjes op aarde.
Maar Erik Mondy had, zoals een lamme krukken, een omslachtig schrijfapparaat nodig om die voor anderen natuurlijke verbinding te leggen tussen hemzelf en de buitenwereld. Een machine die hij, zou hij hem uit elkaar halen, niet eens in elkaar zou weten te zetten. En dan was die verbinding er alleen nog maar terwijl hij schreef; ze herleefde nog eenmaal als hij de drukproeven doornam en hier en daar een woord verbeterde of een zin schrapte; zoals de stervende in een melodrama, die zich voor de laatste keer opricht en een hol geluid uitstoot voor hij terugzakt in de kussens en zijn doodssnik geeft. Was het boek eenmaal verschenen dan keek hij er niet meer naar om. De herinnering eraan vervaagde, loste in het niets op. Weer stond hij met lege handen.
Koude kermis [fragment]
uit: Na de troonrede - Remco Campert

____