Mobiliteit. Het woord is alleszins beweeglijker dan het begrip. Eigenlijk bedoelen we nu bij het begin van de eenentwintigste eeuw: ons gebrek aan mobiliteit. Eenmaal per jaar zijn we dat wel: we worden weer even nomade. We verlaten ons basiskamp, en verblijven in een extractiekamp waar we geestelijke energie uit putten. We komen terug met koffers vol zielloze dingen. We zijn dan op reis geweest. Onze grootouders kenden dit deeltijds pseudo-nomadisch gebeuren niet. Geboren worden, werken en sterven, het gebeurde meestal in de schaduw van de kerktoren. Mobiliteit was wél het sleutelkenmerk van de jager-verzamelaar. Hij volgde kuddedieren zoals wilde paarden op hun jaarlijkse trek, of zocht de gebieden op die seizoensafhankelijk overvloedig vruchten en granen produceerden. Maar er waren verschillende wijzen om jager-verzamelaar te zijn: van eeuwig rondzwervend tot (semi)sedentair. De leidraad hierbij was het landschap: een totaalbeeld van klimaat, reliëfvormen en vegetatie dat bepaalde welke levenswijze mogelijk was. Gebieden met een breed spectrum aan hulpbronnen in de vorm van water, planten, dieren, ruwe materialen en vlotte communicatielijnen lieten een minder mobiel leven toe, en daardoor mogelijk een hogere bevolksdichtheid. In mijn rijke gebieden is een hogere mobiliteit de beste aanpassing. Zo is het deels te verklaren dat de Levant tijdens de laatste duizenden jaren van het Pleistoceen het toneel was van een opeenvolging van culturen.
In het rijk van de gazelle en ibex [fragment]
uit: De graangodin : het ontstaan van de landbouw - Louis Beyens

____