woensdag 9 februari 2011

97 300 bloedzuigers

Halverwege de negentiende eeuw boette het aderlaten aan populariteit in. Een belangrijke bijdrage hiertoe leverde de Fransman Pierre Louis, die in 1835 systematisch bekeek hoe drie ziekten waarvoor altijd aderlating was voorgeschreven, verliepen afhankelijk van het moment van aderlaten en de hoeveelheid afgetapt bloed. Hij vond geen enkel verschil.
In 1832 gebruikte het Bartholomeus-ziekenhuis in Londen 97 300 bloedzuigers, in 1882 nog slechts 1700. In de jaren dertig van de twintigste eeuw werd het bloedzuigen nog wel toegepast bij het behandelen van trombose en stuwingen. Aderlaten was toen een volstrekt achterhaalde ingreep.
In de jaren vijftig gold de Europese bloedzuiger als een bedreigde diersoort, maar toen kwam plotseling een opleving. In 1984 werd in Wales een bloedzuigerkwekerij opgezet, en in de Verenigde Staten was het eind jaren tachtig mode zelf bloedzuigers te kweken en te gebruiken bij spataderen, bloeduitstortingen en depressies. In ziekenhuizen wordt de bloedzuiger nog wel eens gebruikt bij operaties om bloed van moeilijk bereikbare plaatsen af te voeren en om circulatie in bij voorbeeld weer aangehechte vingers te bevorderen. Een van de stoffen uit het speeksel van de bloedzuiger, hirudine, wordt tegenwoordig wel toegepast bij het voorkomen van trombose. En in oktober 1990 werd in Charleston, in de Amerikaanse staat Zuid-Carolina, een Internationale Conferentie over de Biomedische Horizonten van de Bloedzuiger gehouden.

Aderlaten [fragment]
uit: Het kerkhof van de wetenschap - Hans van Maanen


____