Helaas bleek het materiaal vervolgens ook met de theorieën van Copernicus niet goed overeen te komen. Hier toonde Kepler zich echter vasthoudender. Jaren bleef hij bezig met te proberen op een of andere manier een theorie te vinden die de waarnemingen zou kunnen verantwoorden, met rekenpartijen die hem bijna gek maakten. Daarbij bleef het heliocentrische model van Copernicus steeds zijn uitgangspunt. Uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat de planeten niet in cirkels om de zon bewegen, maar in ellipsen. In 1609 publiceerde hij dit resultaat in een boek met de trotse titel Astronomica nova (Nieuwe astronomie).
Keplers bevindingen waren tamelijk schokkend. Copernicus was er net met veel moeite in geslaagd om eindelijk alle bewegingen aan de hemel met behulp van regelmatige cirkelbewegingen te construeren. Kepler liet niet alleen die regelmatigheid varen, hij verwierp zelfs de cirkelbewegingen als zodanig. Het verbaast dan ook niet dat zijn tijdgenoten, ook de aanhangers van Copernicus, vrij zuinig op zijn werk reageerden. Keplers ellipsen waren in strijd met de algemeen aanvaarde ideeën over de bouw van de hemel, ze waren uiterst onhandig om mee te rekenen, en ‘wiskundig elegant’ vond men ze ook al niet. Iemand als Galilei negeerde Keplers ontdekkingen volledig. Slechts heel geleidelijk aan ontstond er onder wiskundigen meer waardering. Maar pas tientallen jaren later, met het werk van Newton, werd het belang van Keplers werk definitief duidelijk.
De episode kan illustreren hoezeer de wetenschap met gissen en missen voortging. Men had er in de zestiende eeuw nog geen idee van wat later als belangrijk zou gelden. Veel van wat de renaissancegeleerden als hoogst belangrijk beschouwden, is nu totaal vergeten. Het werk van Kepler, dat toen een esoterisch zijspoor leek, neemt tegenwoordig een ereplaats in in de geschiedenis.
De zestiende eeuw : het aristotelische wereldbeeld in verval [fragment]
uit: De wetenschappelijke revolutie - Rienk Vermij