Merkwaardig is het te bedenken dat gast eigenlijk hetzelfde woord is al het Latijnse host(is). Hetzelfde woord ja, want het Nederlands en het Latijn behoren tot dezelfde taalfamilie, het Indo-Europees, en hebben dus veel woorden gemeenschappelijk. De ontwikkeling van die woorden is in elk van beide talen wel volgens verschillende regels verlopen. Zo komt de h waarmee veel woorden in het Latijn beginnen overeen met een g in het Nederlands (en in andere Germaanse talen). Het Latijnse habere (=hebben) is verwant met geven en het Nederlandse (boom)gaard is in het Latijn hortus (=tuin). Gast is dus identiek aan hostis. Dit is daarom zo merkwaardig omdat de betekenissen elkaars tegenovergestelde schijnen te zijn. Tegenover een gast koester je vriendschappelijke gevoelens en hostis betekent ‘vijand’! Les extrêmes se touchent, de uitersten raken elkaar.
Het betekenisverschil is niet zo moeilijk te begrijpen als je bedenkt dat de oorspronkelijke betekenis van het woord ‘vreemdeling’ was. En tegenover een vreemdeling kun je je zowel vriendelijk als vijandelijk opstellen. In het Oudhoogduits kon gast ‘vreemdeling’, ‘vijand’ en ‘gast’ betekenen en in het Middelhoogduits ‘vreemdeling’, ‘krijgsman’ en ‘gast’. Ook in de Germaanse streken kon zich dus een ongunstige betekenis ontwikkelen. Maar veel vaker treft men bij de volkeren hier, wier grote gastvrijheid reeds door Tacitus en Caesar wordt vermeld, de ontwikkeling tot ‘gast’, ‘gastvriend’ aan. In eerste aanleg verschafte men de vreemdeling een verblijfplaats en onderdak vóór de gesloten deur van het eigen huis, maar later nam men hem in huis op en behandelde hem met veel voorkomendheid. Een analoge betekenisontwikkeling – van vreemdeling tot gast – valt op te merken bij het Zweedse främmande (= vreemde, buitenlands). Als zelfstandig naamwoord (in het meervoud) betekent dit woord behalve ‘vreemden’ ook ‘gasten’. In die laatste betekenis is het synoniem met gäster, het meervoud van gäst.
In het oudste Latijn was een hostis een vreemdeling. Sinds de grote oorlogen evenwel (van 343 tot 272 voor Christus) heeft het woord een negatieve gevoelswaarde gekregen en is ‘vijandelijke vreemde’, ‘(oorlogs)vijand’ gaan betekenen. In bijzondere gevallen echter – men denke aan de kooplieden en gezanten – kon een vijand in bescherming worden genomen. Dat gebeurde in Rome door de hospes. Het woord hospes is ontstaan uit hostipotis en betekende aanvankelijk ‘heer van de vreemdeling’, dus ‘gastheer’. De betekenis ‘gastheer’ ontwikkelde zich verder tot ‘gastvriend’ en ‘gast’. Van hospes in de betekenis van ‘gast’ zijn allerlei woorden afgeleid zoals hospiteren en hospitaal.
Een vreemde gast [fragment]
uit: Woorden hebben geschiedenis - Marlies Philippa