vrijdag 30 december 2011

Showprocessen

Terroriseren, bangmaken, om de tegenstanders koest te houden, is niet alleen door Stalin toegepast. Lenin was daarin zijn grote leermeester. Maar Lenin was nog wel geneigd, als je schuld bekende en beterschap beloofde, je in genade weer in de partij op te nemen. Stalin kende geen genade en had een goed geheugen. Wreedheid is meestal het gevolg van angst: Stalin werd paranoïde: overal zag hij gevaren. Dat is ook begrijpelijk. In 1917/1918 hadden ze de staat, de tsaar, de adel, de liberalen, de mensjeviki en de sociaalrevolutionairen alle macht en invloed afgenomen. Van 1928 tot 1933 heeft de CP alle boeren onteigend en de boerenstand vormde de meerderheid van het volk. In de CP had Stalin alle andersdenkenden uitgerangeerd. Van de zeven leden van het Politbureau van 1924 waren tenslotte zes ‘vijanden van het volk’ gebleken. Op 30 januari 1933 was Adolf Hitler rijkskanselier geworden en hij had in zijn boek Mein Kampf al gesproken over Lebensraum voor de Duitsers tot aan de Oeral toe. Dat voorspelde niet veel goeds. Het Russische volk heeft altijd de behoefte gevoeld aan een krachtige leider en heeft nu toch weer een grote macht in handen gelegd van Vladimir Poetin.
Stalin doelde op dit verlangen van het Russische volk: “Vergeet niet dat we leven in Rusland, het land van de tsaren. Het Russische volk houdt ervan om één man aan het hoofd van de staat te hebben. En natuurlijk, deze man moet de wil van het volk uitdragen.” En Stalin had de mateloze ambitie om de absolute macht te bezitten. Veel medewerkers waren luie bureaucraten geworden die in luxueuze paleizen leefden. Daar kon hij weinig tegen doen, maar als hij ze kon laten bekennen dat ze spionnen waren van Trotski of buitenlandse regeringen, dan kon je ze hard aanpakken. Ook de Witten bleven in het buitenland stoken tegen Stalin. Boecharin liet zich, toen hij al zeer wankel stond, door de Witten in Parijs verleiden tot de uitspraak dat ‘Stalin geen mens was, maar een duivel’. Anton Antonov-Ovseyenko zegt heel fraai: “Stalin had de showprocessen nodig zoals hij poeder en make-up nodig had voor zijn gepukkeld gezicht. Ze waren nodig om de Westerse angsten te temperen. Alle fouten kon hij nu wijten aan spionnen en wraakbelusten”.

De Grote Terreur 1934-1938 [fragment]
uit: Josef Stalin - Elbert Toonen

donderdag 29 december 2011

Bette [Davis] was nu beroemd en weigerde aan het werk te gaan als Warner eiste dat ze een rol moest spelen die ze slecht vond. In plaats daarvan bezocht ze, als groot aanhanger van Roosevelt, de Democratische conventie van 1936 en week daarna uit naar Londen, waar Warner haar voor de rechter daagde. Haar verdediging: ‘Ik ben een goed actrice, ik hoef geen rotzooi te spelen.’ Het bezorgde haar veel sympathie (eindelijk iemand die durft) maar ze verloor: contract is contract. Warner was, dankzij zijn vrouw, zo aardig haar advocaat en de kosten te betalen, waarvan ze later een groot deel terugbetaalde. Dat soort schulden wilde ze niet, zoals het volgende aantoont.
De verhouding met haar man, Ham Nelson, werd slechter. Hij voelde zich (als meneer Davis) ondergewaardeerd, was als musicus vaak op tournee en verdacht zijn vrouw ervan een verhouding te hebben met William Wyler, de regisseur met wie ze op dat moment Jezebel speelde, één van haar zeer sterke rollen.
Zijn vermoeden klopte, trouwens. Bette had een lange af-en-aan-verhouding met de regisseur. In feite was hij de grote liefde van haar leven. Later zei ze dat ook, met grote bitterheid 'The sexual sparks were there from the beginning.' Maar het treurige feit was dat je het toen niet kon laten merken: we konden niet samen gezien worden! Ik kan wel janken: tegenwoordig staan de kranten vol van relaties tussen sterren, die met die en die met die. Maar toen! Mijn god!’
Haar huwelijk met Ham ging dus niet goed. Hij was met zijn band op tournee als ze hem thuis wilde. Als hij thuis was, speelde hij ’s avonds en ’s nachts in Hollywood Hotel – en dan begon zij te zeiken waarom hij niet op tournee was om beroemd te worden, zoals andere musici: Benny Goodman of Henry James. Zij maakte in die dagen de film Jezebel. Wyler regisseerde haar daarin met zoveel kracht en passie, dat ze krankzinnig verliefd op hem raakte. En hij op haar. Maar om de een of andere reden kregen ze toch ruzie… Wyler schreef haar een brief en die liet Bette uit kwaaie drift veertien dagen ongeopend op de schoorsteenmantel staan. Dom. Dom. Dom?
Toen ze twee weken later de enveloppe opende las ze dat William Wyler haar smeekte nú, meteen, stante pede, zonder dralen, met hem te trouwen, want anders zou hij een andere belofte moeten vervullen. En toen ze de radio aanzette hoorde ze dat William Wyler in het huwelijk was getreden met de jonge actrice Margaret Tallichet. Ze barstte in tranen uit en was dagen van de kaart. (William Wyler daarentegen was dolgelukkig. Hij bleef veertig jaar met die Tallichet gehuwd. Twee jaar later regisseerde hij Bette opnieuw, in een mooie film, weer gemaakt naar een mooi verhaal van Somerset Maugham, en met de voor hen beiden opmerkelijk cynische titel: The Letter, 1940).

Bette Davis : de vrouw die ster werd omdat ze een monster durfde zijn [fragment]
uit: Als sterren naar de hemel gaan : eenentwintig portretten van beroemde Hollywood-godinnen - Rinus Ferdinandusse

dinsdag 27 december 2011

Het maalmechanisme

Ken je die mop? Bureauvolk tikt in de winter tegen het raam en roept: ‘Het is hier vijfentwintig graden!’ en de arbeiders buiten roepen terug: ‘Het is hier duizend frank per uur!’
‘Jamaar,’ protesteert Adriaan, ‘dat is de realiteit niet. Ons pree is niet om over naar huis te schrijven. Het scheelt ook een beetje welke rang je hebt. Je komt binnen als keerder, dan word je geoefend, dan geschoold gewoon beroep, daarna geschoold bijzonder beroep, en ten slotte keurarbeider. Dat is het hoogste dat je in de reinigingsdienst kan bereiken. We hebben sinds ’74 geen opslag meer gehad. Misschien volgend jaar: twee procent.’

De verbrandingsoven is een gigantisch betonnen blok met een achttal inrijpoorten, waarachter de afgrond gaapt. De acht ton worden erin gekiept, en grote, afschrikwekkende grijpkranen heffen het vuil uit de afgrond naar de andere kant van het beton, waar de vlammen wachten. Dit is de eindbestemming van de consumptiemaatschappij; het crematorium van de westerse spilzucht; de hel van elk gebruiksvoorwerp. Ik zie het hoofdeinde van een bed over de muur verdwijnen, en ik mijmer drie seconden lang over de geschiedenis van meer dan één generatie die daar wordt verbrand.

Terug in de stad. In de Kerkstraat wil een vrouw helpen. In plaats van haar vuilzakje diep in de laadbak te werpen, legt ze het erin. Haar arm raakt bijna de maalmolen, maar Walter is er meteen bij. ‘We moeten echt enorm oppassen. Een tijd geleden wou een oude man ook zogenaamd helpen. Hij had z’n vuilniszak in de laadbak gegooid. Ik wilde opzij op de knop duwen om het maalmechanisme op gang te brengen. Intuïtief keek ik toch nog eerst of die man wel uit de weg stond, en ik dacht dat ik doodviel. Hij was in de laadbak gekropen omdat hij zich bedacht had: hij had iets weggegooid dat hij bij nader inzien toch liever wilde houden. Had ik op de knop geduwd, dan was hij morsdood geweest. Dat is ooit gebeurd met een collega van ons. Die wou iets repareren, kroop in de laadbak, en blijkbaar heeft hij daar een of ander relais geactiveerd zodat de messen begonnen te draaien.

De vuilkar [fragment]
uit: Belgen op zondag - Serge Simonart

maandag 26 december 2011

Een vijand van het ergste soort: een optimist

Hij wist dat hij rekening moest houden met de door de mensen ingestelde rechtspraak. De politie bekommerde zich nauwelijks om abstracte analyses, voor hen stond het lot gelijk aan het zwaard van de beul. Het begrip noodlot kenden ze alleen als het ging om onderdrukken, met als enig doel de slaven in hun ondergeschikte positie te houden. Gohar wist heel goed dat ze in alle hoeken en gaten zouden gaan snuffelen en een reusachtige energie zouden ontwikkelen enkel en alleen om hem te vinden. Niet omdat de moord op een prostituée in hun ogen een verachtelijke, onmenselijke daad was, maar eenvoudig omdat hij hun tirannieke gevestigde orde ontregelde. Het idee dat iedere misstap per se afgestraft moet worden, was nog zo’n valse leugen waarachter een zieltogende, verdorven maatschappij zich verschanste. Wat had hij in die paar jaar toch een lange afstand afgelegd! De starre moraal die hij had onderwezen en waaraan hij had geloofd dat het een onvervreemdbaar, rijk bezit was, had zich ontpopt als de meest heilloze samenzwering die ooit tegen een heel volk was beraamd; het was slechts een werktuig in de handen van hen die de macht uitoefenden, bedoeld om de armen onder de duim te houden. Alles welbeschouwd was dit misdrijf wellicht slechts de boetedoening voor zijn vroegere leugens, voor zijn blinde medeplichtigheid aan de duivelse machten. In dat geval had hij zojuist de banden waarmee hij nog aan die gehate wereld vastzat, onherroepelijk doorgesneden, voor eeuwig verbroken! Van nu af aan behoorde hij tot de grote massa van opgejaagde mensen, die door alleen en iedereen verstoten werden maar een rotsvast, gezond vertrouwen in het leven hadden.
Geen enkele rechtspraak kon de jonge Aranaba weer tot leven brengen. Maar hij, Gohar, leefde. De politie zou strijd moeten leveren met een levende vijand, en wel een van de ergste soort: een optimist. Ze zouden het moeilijk krijgen als ze hem wilden pakken. Hij zou zijn nieuwe leven, dat hij door middel van bovenmenselijke inspanningen had veroverd, met al het lijdelijk verzet dat hij kon opbrengen beschermen.
O, de weldadige werking van verdovende middelen! Gohar bewoog op zijn stoel, opende zijn ogen en glimlachte in het schemerdonker.

vertaald door Rosalie Siblesz

uit: De trotse bedelaars - Albert Cossery

zaterdag 24 december 2011

Kan ik nu weer naar mijn bed?

‘Je maakt ons ongelukkig,’ zei oom Mustafa.
‘Ik wil jullie ongelukkig maken,’ zei Siraag. ‘Ik wil werken.’
‘Hoe kunnen we nou niet ongelukkig zijn als we weten dat je werkt,’ zei de oude Hafiz. ‘We zijn geen egoïsten zoals jij. Toe, wees nou verstandig. Je maakt me aan het huilen.’
De oude Hafiz begon inderdaad te snotteren. Hij was vastbesloten zijn toevlucht te nemen tot dit uiterste redmiddel om zijn zoon te vermurwen. Oom Mustafa volgde zijn voorbeeld bij deze pijnlijke gelegenheid. Hij hield zijn tranen toch al een tijdje in en het kostte hem geen enkele moeite toch al een tijdje in en het kostte hem geen enkele moeite ze de vrije loop te laten. Ze waren in de moeilijkste fase van het drama beland. Hier viel niets meer aan toe te voegen.
‘Goed,’ zei Siraag. ‘Ik ga niet meer weg. Maar houden jullie alsjeblieft op met huilen.’
‘Nou ben je eindelijk verstandig!’ zei de oude Hafiz. ‘Je maakt je oude vader blij. Kom, geef me een zoen!’
‘God zij gezegend!’ zei oom Mustafa.
Siraag liep naar zijn vader toe en gaf hem een zoen op zijn voorhoofd. Hij voelde zich beschaamd en ellendig. De oude Hafiz riep met snerpende stem om Hoda, waardoor Galaal wakker werd.
‘Wat is er nou weer? Hoe ver staan we ermee?’
‘Hij gaat niet meer weg,’ zei Rafiek.
‘Des te beter,’ zei Galaal. ‘Dus deze geschiedenis is voorbij. Kan ik nu weer naar mijn bed?’
Hoda, die in de keuken angstig het resultaat van het familie beraad afwachtte, was op het geroep van haar meester aan komen snellen.
‘Kom hier, meid!’ zei de oude Hafiz. ‘Vandaag maak je een kip voor het middageten klaar. Hoor je me?’
Hij draaide zich om naar Siraag en vervolgde: ‘Siraag, jongen, maak je maar niet druk. Op een dag gaan we met ons allen een keertje naar de stad.’
‘Reken maar niet op mij,’ zei Galaal.

vertaald door Mirjam de Veth

uit: De luiaards in de vruchtbare vallei - Albert Cossery

donderdag 22 december 2011

Gods in absentia

When I first sat down with Thompson, in New York at the end of the 2004 tour, he mentioned, with no excessive enthusiasm, that it was fun to be back playing Pixies songs with his old bandmates. But he was unequivocal about one thing: “It’s very nice to finally be making good money.”
Thompson, Kim Deal, Joey Santiago, and David Lovering well deserved their payday. But they were also returning to claim a big slice of the rock-history pie, one that had long been out of reach. As the Pixies, they have had a most unusual career. The archetypical college band, they were a not-quite-next-big-thing who played sold-out gigs everywhere they went and were festooned with critical praise, but were aborted while still young and still far from the top of the charts. Then a weird thing happened. Throughout the 1990s their posthumous legend grew and grew, and they emerged as one of the most admired and namechecked bands of the decade of alternative rock. They became gods in absentia.
With modest but steady record sales and a never-ending stream of tributes from other musicians, but a murky legacy that left no clear school of descendants, the Pixies represented a peculiar pinnacle of the art of rock ‘n’ roll. They played bitingly melodic miniatures, little spasms barbed with noise and Surrealist lyrics. There was scant precendent for the prickly kind of pop the Pixies played, and their sound is recognizable on the slightes whiff. It’s a series of opposing forces that fit together incongrously but exquisitely: a bouncy yet firm bassline (Deal called it “boingy-boingy-sproingy”) joined to a demented choir of punky guitars; Thompson’s harsh primal scream beside Deal’s coy and smoky harmonies; explosive, grating riffs in songs crafted from prime bubblegum. Behind it all is Thompson’s songwriting, playful but also insular, inscrutable.
Thompson is a master puzzlemaker, and he has made no puzzle greater than Doolittle.

uit: Doolittle - Ben Sisario

woensdag 21 december 2011

The rationality of a particular belief changes

It is often said that so-called creationists (those who reject Darwinian evolution in favor of a special act of creation) let their religious values get in the way of their scientific judgment. Perhaps this charge is justified, but what specifically is involved? The story of the origin of the world and of our species told in Genesis is a straight-forward report of alleged facts; it’s not a collection of norms or ought-statements at all. It would be best to say that creation scientists are dogmatically determined to hold on to their religious beliefs that are purportedly factual. So why call them values?
Here’s a quick answer. The characteristic thing about fact-statements is that they can be empirically tested, whereas ought-statements cannot. Religious beliefs form a cluster, some of which are norms (Thou shalt not kill) and some purported facts (God created heaven and earth in six days), but none of them are empirically testable. So we lump them all together as values.
The quick answer grounds a distinction that seems evident. If a biologist sets out with a constraint to the effect that any acceptable biological theory must be compatible with Genesis, we would condemn this is as value-laden research. But if a chemist sets out with a constraint that any acceptable chemical theory must be compatible with quantum mechanics, we applaud this scientific good sense. The quick answer says that the quantum mechanical constraint was empirically grounded, whereas the religious one was not, and that’s the basis of our approval in the one case and disapproval in the other.
I’m sure the quick answer could be justified, but things are inevitably more complicated. During the heyday of fruitful interaction of science and religion, Kepler, Newton, Leibniz, and many others brought religious considerations to bear on scientific theorizing. Kepler geometrized nature on the grounds that God is a great geometer and would want to create the world in the most beautiful of all paterns. Newton argued that his own account of the workings of nature was best because it required God’s occasional intervention to keep the world from running down. Leibniz scoffed at this, saying it showed Newton’s physics to be preposterous, since it implied that God was less than a perfect craftsman.
Not only is the notion of God intrinsic in each of these cases, but Kepler, Newton, Leibniz, and others believed they had considerable evidence for the existence of God. Their religious beliefs were not mere acts of faith, but the consequence of rational considerations. After all, prior to Darwin, the argument from design had considerable force. The design argument for God’s existence runs as follows: We see design all about us: bees pollinate flowers and flowers feed bees; this could not have come about by mere chance; thus, there must exist a designer, a highly intelligent and powerful creator. Sensible and intelligent people in the seventeenth century quite rightly found the argument from design persuasive. When Kepler and others brought religious considerations to bear on physics and astronomy, they were acting no differently in their day than a contemporary chemist who rightly insists that all theorizing be constrained by what we already believe about quantum mechanics. If belief in quantum mechanics is not a value, then neither was Christian cosmology in the seventeenth century. These were not subjective values that Newton and Leibniz imposed on science, but rather background beliefs that had some degree of plausibility.
But notice the tense: I use is when mentioning rationality and values in connection with the constraints of quantum mechanics and was when mentioning values and rationality with the constraints of religion. Over time and with new evidence, the rationality of a particular belief changes. It is no longer rational to set religious constraints on theorizing in biology or astronomy or anywhere else. To do otherwise is utterly irrational and very likely dishonest. So we can return to the quick answer: religious beliefs are values in the derivative sense that they are not currently evidentially grounded.

Three key terms [fragment]
uit: Who rules in science? : an opiniated guide to the wars - James Robert Brown

maandag 19 december 2011

The republic of living literature

Next in line came a more direct form of solidarity – hospitality and mutual aid, on a Europe-wide scale. Everywhere that printing and the initiative of adventurous clerics had brought a group of scholars into existence, informal associations were created for reading, commentary and discussion of new publications: these sodalitates litterarum were the basic cells of that famous Republic of Letters which was invoked so often in the first decades of the sixteenth century. Comrades in research among the manuscript treasures preserved in monastery, co-disciples of a great humanist or scholar of reputation, assembled for readings or lectures, lovers of literature who were fascinated by the discoveries of Greco-Latin Antiquity – these promoters of the new associations were certainly not all capable of corresponding with Erasmus or Parcelcus, but they were all ready to contribute to the exchanges which made up the life, and the joy of life, of these men as the fruits of their work began to pile up. When they travelled across Europe from one town to another, the sodalitates constituted the setting that was spontaneously available to receive and welcome them. This hospitality was not at all disinterested, to be sure (as we see from the example from Erasmus), since the traveller would be asked to take part in some meetings, to give his views of a new book, or to outline to those interested the work that he was engaged in.
The republic of living literature thus provided itself with a framework which was in no way a heavily formalized and organized institution: it had no entrance fee, no initiation ceremony, and no obligations were imposed on members – except to take part in the common effort and to be able to put to each one’s credit the publication of some previously unknown work of Cicero’s, or a description of a Roman monument, or a discussion of a learned treatise of astronomy. Neither academies avant la lettre, nor schools in the established meaning of the word, these associations constituted the freest conceivable form of gathering open to all who were working in the same direction. Assembled in the homes of hospitable individuals, or even in monasteries which had been won over to the new learning, the sodalitates gave to their participants a very strong feeling that they belonged to a community united in solidarity against those who scorned and hated them. And this was so despite the rivalries and conflicts which soon set against each other, all across Europe, the boldest and the most senior, as with the ‘Ciceroniani’ of Italy, who claimed to be sole guardians and sole judges of the quality of Latin, and even to be more genuinely devoted than others to the literature and values of pagan Antiquity, in contrast to the new groups which had sprung into existence in the Rhineland and throughout North-western Europe.

New worlds and new intellectuals (1480-1520) [fragment]
uit: From humanism to science 1480-1700 - Robert Mandrou

zondag 18 december 2011

elke aanraking druppelt op een hete plaat

we smeden geen plannen, warmen
ons aan woorden zonder verhaal, ze klinken
als komen ze ketsend van de sterren gevallen.

we herhalen elkaar liever en liever:
ogen vonken, handen laaien op.
elke aanraking druppelt op een hete plaat.

wij, volmaakt in de navel, kneden het heden
tot een lome kat met zeven levens.

posities van perfect geluk [fragment]
uit: Toen je me ten huwelijk vroeg : gedichten - Sylvie Marie

zaterdag 17 december 2011

Met gissen en missen

Tycho had aan Kepler al zijn papieren en aantekeningen met waarnemingen nagelaten. Daarmee beschikte hij over de op afstand rijkste en kostbaarste schat aan sterrenkundige gegevens die op dat moment in Europa te vinden was. Kepler zelf was een hoogbegaafd en creatief wiskundige, bij wie zulk materiaal in de beste handen was. Overigens stond Kepler wel enigszins in gewetensnood. Tycho had hem bezworen het materiaal te gebruiken om zijn (Tycho’s) systeem uit te werken, en de wens van een stervende kan men niet zomaar negeren. Maar Kepler zelf was een aanhanger van Copernicus. Natuurlijk volgde hij uiteindelijk toch zijn eigen voorkeur en richtte zijn berekeningen in naar het stelsel van Copernicus. Hij deed nog wel een halfslachtige poging om te zien of het ook op Tycho’s manier wilde lukken. Maar toen hij eenmaal tot zijn tevredenheid had vastgesteld dat dit niet ging, liet hij Tycho’s systeem verder schieten.
Helaas bleek het materiaal vervolgens ook met de theorieën van Copernicus niet goed overeen te komen. Hier toonde Kepler zich echter vasthoudender. Jaren bleef hij bezig met te proberen op een of andere manier een theorie te vinden die de waarnemingen zou kunnen verantwoorden, met rekenpartijen die hem bijna gek maakten. Daarbij bleef het heliocentrische model van Copernicus steeds zijn uitgangspunt. Uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat de planeten niet in cirkels om de zon bewegen, maar in ellipsen. In 1609 publiceerde hij dit resultaat in een boek met de trotse titel Astronomica nova (Nieuwe astronomie).
Keplers bevindingen waren tamelijk schokkend. Copernicus was er net met veel moeite in geslaagd om eindelijk alle bewegingen aan de hemel met behulp van regelmatige cirkelbewegingen te construeren. Kepler liet niet alleen die regelmatigheid varen, hij verwierp zelfs de cirkelbewegingen als zodanig. Het verbaast dan ook niet dat zijn tijdgenoten, ook de aanhangers van Copernicus, vrij zuinig op zijn werk reageerden. Keplers ellipsen waren in strijd met de algemeen aanvaarde ideeën over de bouw van de hemel, ze waren uiterst onhandig om mee te rekenen, en ‘wiskundig elegant’ vond men ze ook al niet. Iemand als Galilei negeerde Keplers ontdekkingen volledig. Slechts heel geleidelijk aan ontstond er onder wiskundigen meer waardering. Maar pas tientallen jaren later, met het werk van Newton, werd het belang van Keplers werk definitief duidelijk.
De episode kan illustreren hoezeer de wetenschap met gissen en missen voortging. Men had er in de zestiende eeuw nog geen idee van wat later als belangrijk zou gelden. Veel van wat de renaissancegeleerden als hoogst belangrijk beschouwden, is nu totaal vergeten. Het werk van Kepler, dat toen een esoterisch zijspoor leek, neemt tegenwoordig een ereplaats in in de geschiedenis.

De zestiende eeuw : het aristotelische wereldbeeld in verval [fragment]
uit: De wetenschappelijke revolutie - Rienk Vermij

vrijdag 16 december 2011

Ethics are transmitted at a far more basic level than that of learning

It is undoubtedly true that some people who cannot remember the past are condemned to repeat it. But some people who can’t remember the past aren’t. More disturbingly, many of those who can remember the past are condemned to repeat it anyway. Plenty of people who remembered the past were sent to die in the extermination camps. Their knowledge availed them to nothing, because events were out of their control. One of the unfortunate side-effects of studying German culture up to 1933, and the even richer Austrian culture up to 1938, is the depression induced by the gradual discovery of just how cultivated the two main German-speaking countries were. It didn’t help a bit. The idea that the widespread study of history among its intellectual élite will make a nation-state behave better is a pious wish. Whether in the household or in the school playground, ethics are transmitted at a far more basic level than that of learning, which must be pursued for its own sake: learning is not utilitarian, even when – especially when – we most fervently want it to be.
We should face the possibility that written learning, even in the unusually affecting form of an essay like [Primo Levi’s] The Drowned and the Saved, can be transmitted intact only between members of an intelligentsia already in possession of the salient facts. Clearly, the quality of written speculative discussion will influence the quality of artistic treatments of the subject, in whatever form they may be expressed. Here again, however, we should face the possibility that it might not necessarily be the artistic work of highest quality which influences the public.

Last will and testament [fragment]
uit: The dreaming swimmer : non-fiction 1987-1992 - Clive James

donderdag 15 december 2011

Irregularities are merely regularities in need of an explanation

It was a small anomaly, but, as Kepler had demonstrated and as several generations of natural philosophers had learned, irregularities are merely regularities in need of an explanation. And so astronomers looked for one. Perhaps previously unseen planetary matter was the culprit – a planet between Mercury and the sun (which Le Verrier in advance christened Vulcan) or a belt of asteroids near the sun or a moon of Mercury. For more than half a century, astronomers strained to find just such a “material cause,” as Le Verrier called it; a few even claimed to have seen the mystery planet, but follow-up observations were never able to confirm these sightings. In the end, some astronomers reluctantly began to consider the one other, far less agreeable, recourse: an inadequacy in Newton’s law of gravitation.
It was just such an inadequacy that Einstein thought he’d detected in his calculation. If space did indeed curve in the presence of mass, then by this estimation that curvature would be detectable in the rapid orbit of the comparatively minuscule planet Mercury, spinning deep within the great gravitational maw of the sun. And because astronomers had already performed the necessary observations of Mercury, all Einstein presumably had to do in using that planet to test his theory was to plug the numbers from the existing data into his new formula to see how well the math matched Newcomb’s 43 arc seconds per century.
The result wasn’t even close: 30 arc minutes. Einstein soon realized that he’d made a mistake and recalculated, and the answer this time – 18 arc seconds – was indeed much closer that what he’d hoped. But it was no more satisfying, at least nog in a universe operating on a Keplerian scale of precision.
So maybe Mercury wasn’t a test. Maybe there was another, simpler explanation for the advance in the planet’s perihelion, one that had nothing to do with Einstein’s math. In any event, as Einstein continued revising his theory he no longer bothered to worry about Mercury. In September 1913, he proclaimed to a friend, “The gravitational affair has been clarified to my complete satisfaction.” Not quite, as it turned out. He continued refining, and the following year presented his results to a meeting of the Prussian Academy in Vienna, declaring the theory to be near to its final form. His fellow physicists weren’t so sure; some thought they detected a mathematical error. Einstein didn’t see it. A year later, he did. By then, however it was too late: He’d already booked himself into four further addresses at the Prussian Academy.
On November 4, 1915, he appeared before the academy to confess that he had “completely lost confidence” in his theory. He was, however, working on a revision, which he broadly outlined. The following week, he returned to the academy to elaborate on the revision and to introduce some new equations. Later, at home, he made another adjustment, and then, recalling the earlier test, he sat down to see if just possibly his new version could withstand comparison with Mercury’s motions. He plugged numbers in, ran the calculations, arrived at a result: 43 arc seconds per century, precisely.
Something burst inside him.

A leap of faith [fragment]
uit: The invisible century : Einstein, Freud, and the search for hidden universes - Richard Panek

woensdag 14 december 2011

Waarin alles van zijn plaats is geraakt

Plotseling komt er tussen de doelloos drentelende menigte iemand aanrennen. Koffertje of tas in de hand, jas over de arm, wapperende sjaal achter zich aan. Iedereen kijkt verschrikt op. Met moeite slaagt de ongelukkige erin om door de verspreide massa heen te slalommen. En dan komt het verpletterende moment waarop blijkt dat het vliegtuig de gate al verlaten heeft. Het was een kwestie van nauwelijks vijf minuten, maar weg is weg. De hevig teleurgestelde reiziger kijkt woedend op de klok en zoekt met verwilderde blik iemand om tegen te klagen. Nu zie je de definitieve waarheid doordringen. Gemist!
Op dat moment zou je, microfoon of notitieblok in de hand, zo iemand kort willen interviewen. Je zou willen weten wat er misging en wat de gevolgen zullen zijn, je zou vragen naar vrouw of vriend of kinderen, naar afspraken die in duigen vallen, plannen die nu de mist in gaan.
Iemand die een vliegtuig mist valt door een luik en staat verward in een nieuwe wereld waarin alles van zijn plaats is geraakt. Wat moet er allemaal wel niet geregeld worden? Wanneer gaat de volgende vlucht? Wie moet als eerste gebeld worden? Waar is hier een balie van de luchtvaartmaatschappij? Een halfuur later is de vervreemding alweer voorbij. Dan heeft men de benodigde telefoontjes gepleegd en een andere vlucht kunnen reserveren. Een paar uur en een aantal gates verder is de ongelukkige reiziger alweer onherkenbaar in de massa. Maar op die korte, intense momenten zou je iets van dat levensbloed willen aftappen. Dan kookt het leven, dan is een mens voor even in alle kwetsbaarheid volledig aan zichzelf overgeleverd, dan geeft hij de omringende wereld voor één keer de volle laag, dan krijg je een mens te zien en te horen zonder de beschermende vernislaag van beleefdheid en invoelingsvermogen jegens anderen.

Gemist
uit: Bekentenissen van een nieuwsgierig mens - Maarten Asscher

dinsdag 13 december 2011

He built a trap as his burrow

When Arendt was introduced as a “philosopher” in a 1964 interview for German television she interrupted the interviewer to say, “I’m afraid I have to protest. I do not belong to the circle of philosophers. My profession, if one can speak of it all, is political theory. I neither feel like a philosopher, nor do I believe that I have been accepted into the circle of philosophers.” This was not false modesty on her part; she had come to the conclusion of philosophy and politics, and she wished to examine the latter, as she put it, “with eyes unclouded by philosophy.”
When pressed on this point she explained that intellectuals generally have trouble thinking clearly about politics, in large part because they see ideas at work in everything. German intellectuals in the Thirties, she told the interviewer, “made up ideas about Hitler, in part terrifically interesting things! Completely interesting and fascinating things! Things far above the ordinary level! I find that grotesque.” And when she added that such thinkers inevitably become “trapped in their own ideas,” she was obviously thinking about Heidegger. In fact, in her private notebooks she once wrote a short fable, called “Heidegger the Fox,” in which she described him as a pitiful creature in the lair of his ideas, convinced it was the entire world:
Once upon a time there was a fox who was so lacking in slyness that he not only kept getting caught in traps but couldn’t even tell the difference between a trap and a non-trap… He built a trap as his burrow… “So many are visiting me in my trap that I have become the best of all foxes.” And there is some truth in that, too: nobody knows the nature of traps better than one who sits in a trap whole life long.
Martin Heidegger - Hannah Arendt - Karl Jaspers [fragment]
uit: The reckless mind : intellectuals in politics - Mark Lilla

zondag 11 december 2011

Daarom ga ik straks tegen je liegen

Om halfvier zei Midori dat ze er vandoor moest omdat ze met haar zus had afgesproken in Ginza. We liepen naar het station en daar namen we elk een andere trein. Bij het afscheid stopte ze een twee keer dubbelgevouwen blocnotevel in de zak van mijn jas. ‘Lees het maar als je thuis bent,’ zei ze. Ik las het in de trein.
Nu jij cola aan het kopen bent, schrijf ik deze brief. Het is voor het eerst dat ik een brief schrijf aan iemand die naast me op een bankje zit. Maar ik weet niet hoe ik anders tot je door moet dringen. Want wat ik ook zeg, je luistert nauwelijks. Zo is het toch? Realiseer je je wel dat je me vandaag iets vreselijks hebt aangedaan? Het is je niet eens opgevallen dat mijn haar heel anders zit. Ik heb zo mijn best gedaan om mijn haar te laten groeien en eindelijk lukte het me eind vorige week er een enigszins vrouwelijke coupe in aan te brengen. Maar is het jou toch niet opgevallen? Ik vond het nogal leuk zitten en hoopte je te verrassen nu we elkaar voor het eerst in lange tijd weer zagen. Maar het is je niet eens opgevallen! Dat is toch te erg voor woorden? Wie weet kun je je niet eens herinneren wat voor kleren ik droeg. Ik ben een vrouw, hoor! Al ben je nog zo door iets in beslag genomen, je mag me best wel even goed bekijken. Al had je er maar een paar woorden over gezegd – ‘Leuk, je haar zo’ – , dan had ik het je vergeven, al was je daarna nog zo door van alles in beslag genomen geweest. Daarom ga ik straks tegen je liegen. Dat ik heb afgesproken met mijn zus in Ginza is gelogen. Ik was ervan uitgegaan dat ik vandaag met je mee zou gaan en bij je zou blijven slapen. Ik had zelfs mijn pyjama bij me! Ja, in mijn rugzak had ik een pyjama en een tandenborstel zitten. Wat een domme koe ben ik. Je hebt me niet eens uitgenodigd bij je thuis. Maar goed, je wilt blijkbaar alleen zijn en ik kan je niet zoveel schelen, dus ik laat je alleen. Denk maar naar hartenlust over van alles na. Denk nu niet dat ik woest op je ben. Je bent heel lief voor me geweest toen ik in de problemen zat en ik krijg de indruk dat ik niets voor je terug kan doen. Je lijkt de hele tijd opgesloten te zitten in je eigen wereld, en als ik aanklop – ‘Watanabe, hier ben ik!’ – , doe je even één oog open en dan keer je weer terug naar je eigen wereld. Nu kom je terug met cola, in gedachten verzonken. Ik hoopte dat je zou vallen, maar je viel niet. Nu zit je naast me je cola te drinken. Ik had nog even de hoop dat je als je terugkwam met de cola misschien zou opmerken dat mijn haar anders zit. Misschien had ik, als het je toen was opgevallen, deze brief wel verscheurd en gezegd: ‘Kom, laten we naar jouw huis gaan. Ik zal iets lekkers voor je koken. En laten we daarna als goede vrienden tegen elkaar aan gaan liggen.’ Maar nee. Je bent zo gevoelloos als een ijzeren plaat. PS Als we elkaar op college tegenkomen, spreek me dan niet aan.

vertaald door Elbrich Fennema

uit: Norwegian Wood - Haruki Murakami

zaterdag 10 december 2011

Onbekende letters op de toetsen

En toch, wanneer hij ’s avonds naar Simone Cordier ging om de uitgetypte bladzijden op te halen, merkte hij dat hij voor het eerst niet meer dat benauwde gevoel had en niet langer op zijn hoede was. Bij de uitgang van station Boissière liep hij de kans zijn moeder en haar metgezel tegen te komen. Hij was heel ver weg, in een andere stad, bijna in een ander leven. Waarom had het leven hem ooit in aanraking gebracht met die komedianten die zich verbeeldden iets over hem te zeggen te hebben? Maar is niet iedereen weerloos, hoe beschermd en gepriviligeerd ook, tegen de eerste de beste afperser? Met die gedachte troostte hij zich. In detectiveromans gebeurden zulke dingen voortdurend.
Dat was in september en oktober. Ja, voor het eerst in zijn leven ademde hij vrijuit. Het was nog licht wanneer hij uitgeverij Le Sablier verliet. Een zoele nazomer waarvan je het gevoel had dat hij nog maanden zou kunnen duren. Of misschien nooit meer zou eindigen.
Voordat hij zich aandiende bij Simone Cordier ging hij altijd eerst naar een café op de hoek van de rue La Pérouse om er de bladzijden die hij haar zou geven – en vooral de onleesbare woorden – te corrigeren. In het typewerk van Simone Cordier wemelde het van de merkwaardige tekens: o’s met een streep erdoor, trema’s in plaats van circumflexen, cedilles onder bepaalde medeklinkers… Bosmans vroeg zich af of dat te maken had met een Slavische of Scandinavische spelling. Of dat het gewoon een typemachine van een buitenlands merk was, met in Frankrijk onbekende letters op de toetsen. Hij durfde het niet te vragen. Hij had liever dat het zo bleef. Als hij het geluk had te worden uitgegeven, moest hij die letters maar gewoon laten staan. Dat paste heel goed, het zorgde voor het exotische tintje dat zijn tekst nodig had. Want hoewel hij probeerde zich uit te drukken in een zo helder mogelijk Frans, toch was ook hij van buitenlandse afkomst, net als de typemachine van Simone Cordier.

vertaald door Maarten Elzinga

uit: De horizon - Patrick Modiano

vrijdag 9 december 2011

Nuttig niet-gebruiken

Op de dag dat Venezuela het recht van iedere burger op een woning, opgevat als een verbruiksartikel, wettig maakte, vond driekwart van alle gezinnen, dat hun zelfgebouwde onderkomens daardoor gedegradeerd werden tot de status van krotten. Bovendien – en dit is het onaangename – aan de zelfbouw werd nu afbreuk gedaan. Geen huis kon meer wettig van de grond komen zonder onderwerping aan een goedgekeurd plan van een architect. Het bruikbare afval en oud roest van Caracas, tot dan toe opnieuw gebruikt als uitstekende bouwmaterialen, creëerden nu een probleem van massief afvalmateriaal. Op de man, die zijn eigen ‘woning’ produceert wordt neergekeken als een afvallige, die weigert mee te werken met de plaatselijke pressiegroep voor het opleveren van in massa geproduceerde wooneenheden. Ook zijn ontelbare regels verschenen, die zijn vindingrijkheid als illegaal, of zelfs crimineel brandmerken. Dit voorbeeld illustreert waarom de armen als eersten lijden, als een nieuw soort verbruiksartikel een van de traditionele bestaansmiddelen castreert. De nuttige werkloosheid van de werkloze arme wordt opgeofferd aan de uitbreiding van de arbeidsmarkt. ‘Wonen’ als een zelf gekozen activiteit, evenals elke andere vrijheid van nuttig niet-gebruiken van de tijd na het werk, wordt het voorrecht van iemand met een afwijkend gedrag, vaak de nietsdoende rijke. Een verslaving aan verlammende overvloed, doet, als ze zich eenmaal in een cultuur wortelt, ‘gemoderniseerde armoede’ ontstaan. Dit is een vorm van waardeloosheid, noodzakelijkerwijs geassocieerd met de verspreiding van verbruiksgoederen. Dit stijgende onnut van industriële massaprodukten is ontsnapt aan de aandacht van de economen, omdat het niet toegankelijk is voor hun metingen, en aan de sociale werkers, omdat het niet ‘geoperationaliseerd’ kan worden. Economen hebben geen effectieve middelen om in hun berekeningen het overal in de maatschappij voorkomende verlies van een soort bevrediging op te nemen, dat geen marktequivalent heeft. Dus, men kan tegenwoordig economen omschrijven als de leden van een broederschap, die alleen mensen accepteert die bij het uitvoeren van hun professionele arbeid, een getrainde sociale blindheid uitoefenen ten opzichte van de meest fundamentele transactie in de hedendaagse systemen van zowel Oost als West: de vermindering van het persoonlijke vermogen van het individu iets te doen of te maken, wat de prijs is voor elke toename van een verbruiksgoederenrijkdom.

vertaald door R.L. Uiterwijk

Onbruikbare marktintensiteit [fragment]
uit: Het recht op nuttige werkloosheid - Ivan Illich

donderdag 8 december 2011

Oorlogssterkte

Hitlers uitstel van de aanval op Moskou had geleid tot spectaculaire, maar nauwelijks doorslaggevende acties in de Oostzeestaatsjes en de Oekraïne. Toen het bevel kwam operatie Barbarossa af te ronden met de verovering van Moskou, operatie Tyfoon, was het te laat in het jaar. De situatie aan het front was ontluisterend: door slachtoffers en ziekten werden de eenheden sneller uitgedund dan er vervanging kon worden aangevoerd, waardoor compagnieën gemiddeld minder dan vijftig man telden, een kwart van hun geplande oorlogssterkte. Bovendien hadden degenen die nog leefden sinds 22 juni bijna zestienhonderd kilometer gemarcheerd – ze hadden geen laarzen of sokken en waren fysiek en mentaal volkomen uitgeput. Er kwamen duizend paarden per dag om, er waren geen reserveonderdelen voor voertuigen en het Rode Leger, dat niet meer zou moeten bestaan, vocht nog steeds door. Voor de Waffen-SS was de logistieke situatie even erg, maar de SS-strijdgeest werd er niet door aangetast. Dat was zo opvallend dat generaal von Mackensen, commandant van het 3de pantserkorps, een brief aan Himmler stuurde over de prestaties van Hitlers lijfwacht. Hoewel het alleen de Leibstandarte betrof, slaan zijn opmerkingen even goed op de andere divisies van de Waffen-SS die toen in Rusland streden. Het is de moeite waard eruit te citeren: ‘Het zal u misschien enige deugd doen om uit de mond van de bevelvoerend generaal te vernemen, wat hij en andere divisies vinden van de Leibstandarte, die tijdens deze lange en zware veldtocht dient onder zijn bevel, een legerman en niet iemand van de SS. Herr Reichsführer, ik kan u verzekeren dat de Leibstandarte een voortreffelijke reputatie geniet, niet alleen bij haar hogere commandanten, ook bij haar kameraden in het leger. Iedere divisie zou willen dat de Leibstandarte in de buurt was, zowel tijdens de aanval als tijdens de verdediging. De interne discipline, de koele stoutmoedigheid, de opgewekte ondernemingslust, de onwankelbare absoluutheid tijdens crises (zelfs als het lastig of serieus wordt), de voorbeeldige taaiheid en hardheid, de kameraadschap (die speciale lof verdient) – al deze kwaliteiten zijn uitzonderlijk en onovertroffen. Desondanks heeft het officierskorps een aangename mate van bescheidenheid behouden. Een echte eliteformatie waar ik met blijdschap en trots bevel over voer en die ik oprecht wil behouden, wat hopelijk zal lukken! Deze grenzeloze lof heeft de Leibstandarte te danken aan de grootsheid van haar prestaties en haar militaire vakkundigheid tegenover een vijand wiens moed, koppigheid, aantal en bewapening niet onderschat mogen worden. De uitstraling die van nature om de Führer-lijfwacht hangt, zou hier aan het front niet voldoende geweest zijn om de Leibstandarte zoveel lof zonder grond toe te zwaaien.’ Gelijksoortige erkenning werd ook geuit door andere generaals, wat aantoonde dat de Waffen-SS volwassen geworden was.

vertaald door Piet Hein Geurink

Barbarossa [fragment]
uit: Het verhaal van de Waffen-SS 1923-1945 - Christopher Ailsby

woensdag 7 december 2011

Omdat er nauwelijks fatsoenlijke banen waren

Op de dag na Elsters arrestatie voltrok zich een ander drama. De SD en Gestapo ontvoerden twee Britse geheimagenten die over de Nederlands-Duitse grens bij Venlo gelokt waren. De twee werden beschuldigd van het aanmoedigen van het verzet in Duitsland tegen Hitler. Het feit dat de bomaanslag in München en wat het Venlo-incident genoemd ging worden, zo vlak na elkaar plaatsvonden, was voor veel buitenstaanders uitermate vreemd. Heydrichs rol bij de eerste plannen voor de ontvoeringen werd na de oorlog beschreven door de sleutelfiguur en ster van die actie. Hij kreeg later de leiding over de contraspionage van de Gestapo in Duitsland en in de bezette gebieden. Zoals zoveel van zijn tijdgenoten was Walter Schellenberg toen de nazi’s aan de macht kwamen een jongeman van 22 jaar op zoek naar een baan. Hij had drie jaar aan de universiteit van Bonn gestudeerd, was van medicijnen op rechten overgestapt, maar had nauwelijks kwalificaties en geen geld. Zoals duizenden andere studenten in Duitsland moest hij op zijn slimheid vertrouwen, omdat er nauwelijks fatsoenlijke banen waren.
De ambitieuze Schellenberg richtte zijn vizier op de SD en wekte de interesse van Heydrich. Die aantrekkingskracht was begrijpelijk: beiden waren jongemannen bezig met hun carrière. Voor de operatie bij Venlo koos Heydrich Schellenberg en een ander SD-talent, Helmuth Knochen, die verantwoordelijk was voor de organisatie van spionagenetwerken in het buitenland. Heydrich zei hem dat hij zich moest uitgeven voor kapitein Schaemmel, een bestaande officier die elders gestationeerd werd. Hij verwierf het vertrouwen van twee Britse spionnen, kapitein S. Payne Best en majoor R.H. Stevens, die hij een aantal malen in Arnhem en Den Haag ontmoette. Hij had ze ervan overtuigd dat er in Duitsland een verzetsgroep van enige omvang bestond. Vermomd als Schaemmel smeekte Schellenberg om door Londen serieus genomen te worden. Hij zag in dat de zaak zich niet te lang kon voortslepen, want vanzelfsprekend zouden Payne Best en Stevens op een gegeven moment concrete voorstellen willen horen van de mensen die ‘Schaemmel’ beweerde te vertegenwoordigen.
Het tempo werd geforceerd door de komst van een vertrouwde figuur, want opnieuw was Alfred Naujocks klaar voor actie. Hij had een groep SD’ers bij elkaar voor een aanval op het café in Venlo waar ‘Schaemmel’ en de Britten hadden afgesproken. Payne Best en Stevens kwamen in het gezelschap van luitenant Coppins in een grote Buick bij het café aan en werden onthaald op een kogelregen uit een wagen van de SS, die vol zat met mensen van Naujocks. De Britse officieren werden door de Duitsers opgepikt en met grote snelheid over de grens gereden. Ze brachten de rest van de oorlog in gevangenschap door. Luitenant Coppins, die een officier van de Nederlandse generale staf met de naam Klop bleek te zijn, overleed in een ziekenhuis in Düsseldorf aan de schotwonden die hij in Venlo had opgelopen.
Er zijn nog veel onopgeloste vragen over het Venlo-incident. In zijn memoires beweerden Schellenberg dat de beslissing om Payne Best en Stevens te pakken, al enkele uren na de bomaanslag in München was genomen, maar later bleek dat Naujocks team al op 7 november klaarstond, dat is een dag voor de explosie. Het was bijna onweerstaanbaar om te concluderen dat beide gebeurtenissen uit dezelfde bron stamden. Op 27 november liet Himmler weten dat Georg Elser opgepakt was en dat Elser had samengewerkt met de twee Britse spionnen. Wat er ook van waar was, Hitler had zijn voorwendsel voor een aanval in het westen, met name op Nederland en België, gerechtvaardigd door het feit dat het neutrale Nederland op zijn grond verraders van het rijk had laten opereren. De Gestapo had de weg geplaveid voor de succesvol verlopen oorlog in het oosten en het voorwerk gedaan voor de komende aanval in het westen. Himmlers en Heydrichs mannen bleven bovendien onvermoeibaar en gestaag werken aan versterking van hun grip op Duitsland.

vertaald door Piet Hein Geurink

Heydrich neemt de macht over [fragment]
uit: De geschiedenis van de Gestapo 1933-1945 - Rupert Butler

dinsdag 6 december 2011

We are simply contesting his right to posit certain first principles

Among the superstitions from which we are freed by the abandonment of metaphysics is the view that it is the business of the philosopher to construct a deductive system. In rejecting this view we are not, of course, suggesting that the philosopher can dispense with deductive reasoning. We are simply contesting his right to posit certain first principles, and then offer them with their consequences as a complete picture of reality. To discredit this procedure, one has only to show that there can be no first principles of the kind it requires.
As it is the function of these first principles to provide a certain basis for our knowledge, it is clear that they are not to be found among the so-called laws of nature. For we shall see that the 'laws of nature', if they are not mere definitions, are simply hypotheses which may be confuted by experience. And, indeed, it has never been the practice of the system-builders in philosophy to choose inductive generalizations for their premises. Rightly regarding such generalizations as being merely probable, they subordinate them to principles which they believe to be logically certain.
This is illustrated most clearly in the system of Descartes. It is commonly said that Descartes attempted to derive all human knowledge from premises whose truth was intuitively certain : but this interpretation puts an undue stress on the element of psychology in his system. I think he realized well enough that a mere appeal to intuition was insufficient for his purpose, since men are not all equally credulous, and that what he was really trying to do was to base all our knowledge on propositions which it would be self-contradictory to deny. He thought he had found such a proposition in 'cogito', which must not here be understood in its ordinary sense of 'I think', but rather as meaning 'there is a thought now'. In fact he was wrong, because "non cogito' would be self-contradictory only if it negated itself; and this no significant proposition can do. But even if it were true that such a proposition as 'there is a thought now' was logically certain, it still would not serve Descartes's purpose. For if 'cogito' is taken in this sense, his initial principle, 'cogito ergo sum', is false. 'I exist' does not follow from 'there is a thought now'. The fact that a thought occurs at a given moment does not entail that any other thought has occurred at any other moment, still less that there has occurred a series of thoughts sufficient to constitute a single self. As Hume conclusively showed, no one event intrinsically points to any other. We infer the existence of events which we are not actually observing, with the help of general principles. But these principles must be obtained inductively. By mere deduction from what is immediately given we cannot advance a single step beyond. And, consequently, any attempt to base a deductive system on propositions which describe what is immediately given is bound to be a failure.
The only other course open to one who wished to deduce all our knowledge from 'first principles', without indulging in metaphysics, would be to take for his premises a set of a priori truths. But, as we have already mentioned, and shall later show, an a priori truth is a tautology. And from a set of tautologies, taken by themselves, only further tautologies can be validly deduced. But it would be absurd to put forward a system of tautologies as constituting the whole truth about the universe. And thus we may conclude that it is not possible to deduce all our knowledge from 'first principles'; so that those who hold that it is the function of philosophy to carry out such a deduction are denying its claim to be a genuine branch of knowledge.

The function of philosophy [fragment]
uit: Language, truth and logic - A.J. Ayer

maandag 5 december 2011

Van vreemdeling tot gast

Een vreemde gast is eigenlijk een pleonasme. Oorspronkelijk betekende gast zelf al ‘vreemdeling’. De betekenis bestond nog in het Middelnederlands en je proeft haar ook een beetje in samenstellingen als gastspeler en gastdirigent. In deze woorden heeft gast een neutrale gevoelswaarde. Maar meestal is de betekenis positief geladen. Als je zegt: ‘Jij bent vanavond mijn gast’, dan ben je van plan de aangesproken persoon eens goed te onthalen en lekker te verwennen.
Merkwaardig is het te bedenken dat gast eigenlijk hetzelfde woord is al het Latijnse host(is). Hetzelfde woord ja, want het Nederlands en het Latijn behoren tot dezelfde taalfamilie, het Indo-Europees, en hebben dus veel woorden gemeenschappelijk. De ontwikkeling van die woorden is in elk van beide talen wel volgens verschillende regels verlopen. Zo komt de h waarmee veel woorden in het Latijn beginnen overeen met een g in het Nederlands (en in andere Germaanse talen). Het Latijnse habere (=hebben) is verwant met geven en het Nederlandse (boom)gaard is in het Latijn hortus (=tuin). Gast is dus identiek aan hostis. Dit is daarom zo merkwaardig omdat de betekenissen elkaars tegenovergestelde schijnen te zijn. Tegenover een gast koester je vriendschappelijke gevoelens en hostis betekent ‘vijand’! Les extrêmes se touchent, de uitersten raken elkaar.
Het betekenisverschil is niet zo moeilijk te begrijpen als je bedenkt dat de oorspronkelijke betekenis van het woord ‘vreemdeling’ was. En tegenover een vreemdeling kun je je zowel vriendelijk als vijandelijk opstellen. In het Oudhoogduits kon gast ‘vreemdeling’, ‘vijand’ en ‘gast’ betekenen en in het Middelhoogduits ‘vreemdeling’, ‘krijgsman’ en ‘gast’. Ook in de Germaanse streken kon zich dus een ongunstige betekenis ontwikkelen. Maar veel vaker treft men bij de volkeren hier, wier grote gastvrijheid reeds door Tacitus en Caesar wordt vermeld, de ontwikkeling tot ‘gast’, ‘gastvriend’ aan. In eerste aanleg verschafte men de vreemdeling een verblijfplaats en onderdak vóór de gesloten deur van het eigen huis, maar later nam men hem in huis op en behandelde hem met veel voorkomendheid. Een analoge betekenisontwikkeling – van vreemdeling tot gast – valt op te merken bij het Zweedse främmande (= vreemde, buitenlands). Als zelfstandig naamwoord (in het meervoud) betekent dit woord behalve ‘vreemden’ ook ‘gasten’. In die laatste betekenis is het synoniem met gäster, het meervoud van gäst.
In het oudste Latijn was een hostis een vreemdeling. Sinds de grote oorlogen evenwel (van 343 tot 272 voor Christus) heeft het woord een negatieve gevoelswaarde gekregen en is ‘vijandelijke vreemde’, ‘(oorlogs)vijand’ gaan betekenen. In bijzondere gevallen echter – men denke aan de kooplieden en gezanten – kon een vijand in bescherming worden genomen. Dat gebeurde in Rome door de hospes. Het woord hospes is ontstaan uit hostipotis en betekende aanvankelijk ‘heer van de vreemdeling’, dus ‘gastheer’. De betekenis ‘gastheer’ ontwikkelde zich verder tot ‘gastvriend’ en ‘gast’. Van hospes in de betekenis van ‘gast’ zijn allerlei woorden afgeleid zoals hospiteren en hospitaal.

Een vreemde gast [fragment]
uit: Woorden hebben geschiedenis - Marlies Philippa

zondag 4 december 2011

The persistent habit of denouncing a superstition and look to its polar opposite

Take, for example, the series of words used in English for the temperature of water. The full spectrum of temperature goes from 0 degrees to 100 degrees Celsius, but the number of different temperature readings is infinite; our choice of one hundred points on the scale is already a simplification for our convenience, and an arbitrary one, in that we could choose ten or twenty or any other number. But when we then use the words cold, warm, hot, and scalding, we are simplifying even further. Warm water is, then, in one sense not a fact of nature; it represents instead a decision of the English language to cut up the spectrum in a particular, arbitrary way. There is no concept warmness outside of the language, and the meaning of that word derives not primarily from its reflecting reality but rather from its place in the system of terms, its differentiating warm from hot. Interestingly, the arbitrariness (in Saussure’s defined case) is further hightlighted if we look at the closely related cognates in German. For while the words may look the same, they are not; the transition from the German word warm to heiss occurs very much further up the scale than is the case in the transition from warm to hot. The transition marks the upper end of the comfort zone in German (heisses Wasser is almost too hot) while it marks the lower end in English (hot water is hot enough). An English speaker who learns the similar German words without realizing that the two systems are different is likely to get hurt. A German speaker, on the other hand, going at the matter from the other direction, is likely to end up with a bath he will think rather too cold. What, then, is the concept warmness of water? It is a creation of the English language, a decision on its speakers’ part to group together and regard as equivalent for a certain purpose everything from roughly 90 degrees to 115 degrees Fahrenheit. Water itself does not dictate such a choice, but only the arbitrary system of a given language; and it is the transition point, to cold and to hot, and thus the differences between the three terms, that determine meaning.
It is easy to draw completely false conclusions from Saussure’s argument. For example: the fact that warmness as a concept is a creation of the English language does not mean that warmness has nothing to do with reality or that statements that include reference to warmness are only statements about the English language, not about the world. On the contrary, variations in temperature must exist and be perceptible to allow the contrast between warm and hot to mean anything. If the words only told us something about English without also telling us what the actual conditions were that made the use of one rather than the other an appropriate and correct use of English, then they could not tell us anything about English either: English would not exist. It works both ways: the word warm gives us information about our language only given our recognizing temperature variations. And the word warm gives us information about the world only given our ability to understand and use English. It is just as wrong to say that warmth is simply a fact of nature as it is to say that warmth is simply a fact of nature as it is to say that warmth is simply a fact about language; and the greatest error of all would be to assume that the falsity of the first of these alternatives required us to turn to the second. But as we shall see, this is a typical deconstructive error – one engendered by the persistent habit of denouncing a superstition and look to its polar opposite in order to complete the denunciation. Unfortunately, these two positions are not opposites, in the sense that one must be right if the other is wrong, but instead equivalents, being two different versions of the same logical error.
An equally false conclusion, only possible if Saussure’s point is completely misunderstood, is that the arbitrariness of the sign makes meaning arbitrary in the sense of indeterminate. To the contrary: it is precisely the fact that the conceptual system of English is the common property of it speakers (i.e., that all in a sense agree to make the same arbitrary decision) that gives its words any meaning at all. As Saussure himself puts it, “The word arbitrary … should not imply that the choice of the signifier is left entirely to the speaker (we shall see below that the individual does not have the power to change a sign in any way once it has been established in the linguistic community),” and “The arbitrary nature of the sign explains in turn why the social fact alone can create a linguistic system. The community is necessary if values that owe their existence today solely to usage and general acceptance are to be set up; by himself, the individual is incapable of fixing a single value.” Arbitrariness in this sense, then refers not to randomness but to the reverse, to the fact that there is a definite agreement on the particular system of terms to be used and on how they are to be used. It does not mean that the meaning of a given word is arbitrary, for unless that word has a place in a system of terms, there is no system, no agreement, no meaning, and thus no language and no communication.
This brief exposition has been designed to give a sense of what Saussure means when he says that in language there are no positive terms (i.e., terms with inherent meaning outside the system) but only differences – like the difference between warm and hot – with meaning established by those differences.

Deconstruction and language [fragment]
uit: Against deconstruction - John M. Ellis

vrijdag 2 december 2011

Kijkend in de lens en blikkend in een spiegel

Wie zichzelf knap en aardig vindt, kan door zijn naasten als een oerlelijke schurk worden beschouwd en omgekeerd. Dat lijkt vreemd, want we hebben doorlopend met zowel onszelf als met anderen te maken. Waar komen zulke verschillen dan vandaan? Men deed hierover het volgende proefje. Vrijwilligers werden onder twee condities gefotografeerd: kijkend in de lens en blikkend in een spiegel. Zij moesten een bepaalde gelaatsuitdrukking nadoen, zoals kwaadheid, vriendelijkheid en een neutrale uitdrukking. Vervolgens werden de foto’s door anderen beoordeeld op ‘echtheid’ of gelijkenis. Het bleek dat mensen veel expressiever zijn als zij voor een foto emoties spelen dan wanneer zij in een spiegel kijken. Wat zit hier achter?
Als we via een fototoestel naar iemand kijken, doet de situatie enigszins aan communicatie denken. Je ziet jezelf niet, maar je probeert een ander iets over te brengen. Bij het kijken in een spiegel hoeven we minder ons best te doen: wat vertrokken spiertjes lijken algauw op een lach. Om die reden zijn mensen op foto’s verhoudingsgewijs expressief.
Het zelfbeeld dat we hebben, zou vooral gebaseerd zijn op het kijken in spiegels, maar onder die omstandigheden zien we er in zekere zin anders uit dan wanneer we direct met onze medemensen te maken hebben. Op die manier zou een verschil kunnen ontstaan tussen de ideeën die we over onszelf vormen en de wijze waarop anderen letterlijk of figuurlijk tegen ons aan kijken.

Relaties [fragment]
uit: Toestanden - Piet Vroon