woensdag 18 januari 2012

De vrucht die te vroeg is gerijpt door mijn voortvarende vertrouwelijke omgang

Ja, keren we terug naar Vial. Ik zwerf vannacht rondom Vial, als een paard dat door een obstakel wordt gehinderd en met allerlei dwaze paardesprongen onnozel voor het hek blijft staan. Ik ben niet bang dat het me zal aangrijpen, maar ik ben bang dat het me zal vervelen. Ik ben bang voor de zucht naar dramatiek en de ernst die in jonge mensen huist – vooral in Hélène Clément. Wat was Vial gisteren lief! Hij is het nu al minder. Ik vergelijk zijn gedrag van gisteren met dat van vandaag. Ik kan er niets aan doen, maar ik hecht betekenis aan zijn trouw van goede buurman, zijn langdurig zwijgen, zijn geliefkoosde houding, het hoofd gebogen op de gekruiste armen. Ik interpreteer, ik hoor de toon van de vragen waarmee hij me overstelpt: ‘Is het waar dat… Wie heeft u op het idee gebracht voor een dergelijke figuur? Kende u iemand die zo was, toen u dat boek schreef? … Als ik onbescheiden ben, stuur me dan maar gerust de laan uit…’ En dan vanavond, als toppunt: ‘Heeft ze dat gewaagd… heeft ze dat gewaagd? …’ zei hij telkens. En met de mimiek van een jeune premier…
Dit is nu het resultaat – in een levensfase waarin ik alleen nog het puik van alle vreugden en het beste van het beste aanvaard, omdat ik verder niets meer vraag – dit is de vrucht die te vroeg is gerijpt door mijn voortvarende vertrouwelijke omgang – ‘Hé jongen, tracteer me op een dozijn oesters, hier staande aan de bar net als in Marseille… Vial, we staan morgen om zes uur op om rozen te gaan kopen in de Hallen, dienstbevel!’ – en door een naam die maakt dat alles anders klinkt…
En als ik voortaan minder vriendelijk zou zijn voor mezelf en een ander, tot het eind van het mooie Provençaalse seizoen, bezaaid met roodgloeiende geraniums, witte zomerjurkjes, gesprongen watermeloenen die hun vurig hart laten zien als opengebarsten planeten? Toch was er niets dat mijn gelukkige, teerblauwe, kristallen zomer bedreigde, mijn zomer met open ramen, klapperende deuren, mijn zomer met kransen jonge, jasmijnwitte knoflook…
De amoureuze genegenheid van Vial – het niet minder amoureuze verdriet van het meisje Clément: ik zit tussen die twee stromen in en ik kan er niets aan doen. Ik onderwerp hen aan een verhoor en ik voorzie hen van commentaar in tekens met inkt in een haastig handschrift geschreven.

vertaald door Evelien van Leeuwen

uit: Het eerste daglicht - Colette