In een van die verloren stadjes in het Rijnland, ik kan me niet herinneren welk, kreeg ik een vluchtige indruk hoe snel de machtswissel voor veel Duitsers in haar werk was gegaan. In een arbeiderscafé, laat in de avond, raakte ik bevriend met een aantal fabrieksarbeiders in overalls die net de late ploeg achter de rug hadden. Ze waren ongeveer mijn leeftijd en een van hen, een amusante clowneske figuur, zei: waarom pitte ik die nacht niet op het veldbed van zijn broer, bij hem thuis? Toen we de ladder naar de zolder hadden beklommen, bleek de kamer een relikwieënschrijn van hitleriana te zijn. De wanden waren bedekt met vlaggen, foto’s, affiches, leuzen en symbolen. Zijn SA-uniform hing keurig gestreken aan een knaapje. Met de geestdrift van de fetisjist hield hij verhalen bij elk van deze cultusvoorwerpen, het pronkstuk van zijn collectie voor het laatst bewarend. Het was een automatisch pistool, een Luger parabellum, geloof ik, nauwgezet geolied en in zeildoek verpakt, vergezeld van een stapel groene kartonnen doosjes die vol met kogels zaten. Hij demonteerde het pistool en zette het weer in elkaar, laadde het magazijn, zette het met een klap op zijn plaats, haalde het er weer uit, trok een riem met een kruiskoppel en een holster aan, rukte het pistool als een cowboy enkele malen uit de holster en stopte het er weer in terug, gooide het in de lucht en ving het op, liet het aan de trekkerbeugel rondwervelen en danste met één gesloten oog door de kamer, terwijl hij met luid tonggeklak richt- en schietbewegingen maakte… Toen ik zei dat het me wat benauwd leek met al die spullen aan de muur, lachte hij, ging hij op bed zitten en zei: ‘Mensch! Je had het vorig jaar moeten zien! Je had je rot gelachen. Toen hingen er allemaal rode vlaggen, sterren, hamers en sikkels, foto’s van Lenin en Stalin en Proletariërs aller landen, verenigt u! Toen sloeg ik iedereen die het Horst Wessel Lied zong, de hersens in! Het was toen het Rode Vaandel en de Internationale, voor en na! Ik was niet zomaar een Sozi, maar een Kommi, ein echter Bolschewik!’ Met gesloten vuist bracht hij de groet. ‘Je had me moeten zien! Straatgevechten! Wij sloegen de nazi’s verrot en zij sloegen ons verrot. We lachten ons gek – Man hat sich totgelacht. En toen, toen Hitler aan de macht kwam, begreep ik opeens dat het allemaal onzin en leugens waren. Ik besefte dat Adolf mijn man was. Zomaar opeens!’ Hij knipte met zijn vingers in de lucht. ‘En kijk me nu eens!’ En zijn oude vrienden? vroeg ik. ‘Die zijn ook overgestapt! – al die jongens in het café. Allemaal, stuk voor stuk. Ze zitten nu allemaal bij de SA.’ Waren er veel mensen die zoiets hadden gedaan? Veel? Zijn ogen gingen wijd open. ‘Miljoenen! Ik was stomverbaasd hoe makkelijk ze de andere kant kozen!’ Even schudde hij twijfelend zijn hoofd. Toen trok er een brede, onbezorgde glimlach over zijn gezicht terwijl hij de kogels als kralen van een rozenkrans tussen de vingers van zijn ene hand door in de palm van zijn andere liet rollen. ‘Sakra Haxen noch amal! We hebben nauwelijks meer Sozi’s of Kommi’s over om ervan langs te geven.’ Hij lachte opgetogen. Wat vonden zijn ouders er allemaal van? Ik had hen op weg naar boven gezien – een tamelijk aardig, slonzig stel dat bij de keukenkachel naar de radio had zitten luisteren. Hij trok zijn schouders op en keek gedeprimeerd. ‘Mensch! Die begrijpen nergens iets van! Mijn vader is ouderwets: denkt alleen maar aan de Kaiser en Bismarck en de oude Hindenburg – en die is nu ook dood – maar goed, hij heeft de Führer op de plaats geholpen waar hij nu zit. En mijn moeder, die weet niets van politiek. Het enige dat zij belangrijk vindt, is naar de kerk gaan. Ze is ook ouderwets.’
vertaald door Paul Syrier
Winterreise [fragment]
uit: Langs Rijn en Donau : te voet naar Constinopel, van Hoek van Holland naar Budapest - Patrick Leigh Fermor