Aan de voet van de boom kakelde en snerpte mevrouw Bennet, het romploze stuk pluimvee, en vermaakte zich opperbest terwijl dr Hobson, de vriend van jonkheer Waterton, angstig de takken in de gaten hield. In de grot die achter het meer was uitgehouwen, heerste niets dan vrolijkheid en onschuldige pret, en een zacht briesje voerde flarden gelach met zich mee, want de bewoners van het plaatselijke krankzinnigengesticht hielden er op uitnodiging van de jonkheer een etentje gevolgd door een avond met zang en dans.
De door zorgen geteisterde dr Hobson schonk echter geen aandacht aan deze geluiden van sociale feestelijkheid en bleef handenwringend omhoog staan turen tot zijn bejaarde vriend uit de takken zou komen vallen. De grote natuurkenner en Zuidamerikaanse zwerver was dat echter niet van plan en klom rustig verder omhoog.
Waterton zelf vond deze gymnastische toeren doodnormaal, want zoals de eerwaarde J. Wood schrijft in de biografie die aan Wanderings in South America voorafgaat, had hij ‘er geen benul van iets buitengewoons te doen wanneer hij zijn bezoek vroeg hem te vergezellen naar de top van een hoge boom om een haviksnest te bekijken, of wanneer hij zijn stallen zodanig bouwde dat de paarden met elkaar konden converseren, en zijn kennels zo ontwierp dat zijn jachthonden goed konden zien wat er allemaal op het landgoed omging’.
Hobsons ervaringen met de behendigheid van Waterton waren op zijn zachtst gezegd alarmerend. ‘Zijn opmerkelijke soepelheid en lenigheid heb ik hem in zijn eenentachtigste levensjaar vaak op wonderlijke wijze zien demonstreren als hij zich in allerlei bochten wrong. Toen hij zevenentachtig was, heb ik hem eens zijn achterhoofd zien krabben met de grote teen van zijn rechtervoet.’ En: ‘Hij was nergens bang voor. Ik heb de jonkheer toen hij al over de zeventig was vaak met van angst bonzend hart en zeer tegen mijn wil in op één been over een rotswand zien hinkelen boven het hoogste terras van de grot, terwijl zijn andere been boven de afgrond bungelde; zo hinkelde hij razendsnel heen en op zijn andere been razendsnel weer terug. Als ik hem tot voorzichtigheid maande, placht hij te zeggen: “Nom de ponte cadit qui cum sapientia vadit” – “Wie met overleg loopt, valt niet van de brug.”’
Misschien omdat haar moeder deze gymnastische toeren van de jonkheer had gadegeslagen, werd er op het landgoed een eend uitgebroed wier kop achterstevoren zat: haar snavel wees naar haar elegante staartveren ‘en bevond zich er zelfs recht boven’, zodat ze wanneer er voer op de grond werd gestrooid een soort salto moest maken om het te kunnen pakken. Deze curieuze vogel bezat geen zwemvliezen, maar door haar intelligentie te gebruiken zwom ze net zo goed als de andere eenden uit het nest, misschien nog wel beter. Ze had een warm plaatsje veroverd in het hart van de jonkheer, die haar buitengewoon bewonderde.
Deze gewoonten en voorkeur in aanmerking genomen, kan men niet goed begrijpen waarom Waterton niet inging op een verzoek van meneer Blondin zijn talenten als koorddanser te mogen tonen op een touw over het meer bij Walton Hall.
De streken van Waterton waren even onvoorspelbaar als talrijk. Hobson schrijft: ‘Om de frivole speelsheid van mijn tachtigjarige vriend te laten zien, zal ik een van de eigenaardigste streken verhalen waarmee Waterton me onverhoeds overviel. In de noordoostelijke hoek van de eerste toegangshal tot het huis stond een tafel waarop men de hoeden, overjassen, handschoenen en dergelijke van het arriverende bezoek kwijt kon. Over de tafel lag een groot kleed dat tot op de grond hing. Toen de jonkheer me eens over de brug voor het huis zag komen aanrijden, is hij stiekem op handen en voeten als een hond onder de tafel gekropen, om daar te wachten tot ik mijn overjas op de tafel zou leggen. Terwijl ik daar nietsvermoedend mee bezig was, begon hij vanuit zijn schuilhoek onder het kleed gemeen te grommen en nam mijn benen op zo’n hondse wijze te pakken, dat ik niet beter wist of de een of andere dolgeworden viervoeter viel mijn onderdanen aan.’
vertaald door Christien Jonkheer
Charles Waterton : de Zuidamerikaanse zwerver [fragment]
uit: Vreemde portretten : een levendig panopticum van prettig gestoorde Engelsen - Edith Sitwell