Hij antwoordde niet, hief het glas, knikte naar haar en dronk; met een stijf gebaar legde hij zijn hoofd in zijn nek, liet de alcohol over zijn pijnlijke kiezen lopen, slikte en huiverde.
‘Nog altijd je tanden?’ vroeg ze.
‘Ik heb het opgegeven,’ zei hij, ‘er lijkt niets aan de hand, maar ze zitten allemaal los. Straks heb ik alleen mijn tong nog om mijn wonden te likken.’
‘Heeft de behandeling destijds niet geholpen?’
‘Ons helpt geen enkele behandeling meer,’ zei Hoppe, ‘wij kunnen onszelf alleen nog maar opnieuw laten maken, helemaal opnieuw. Wat wij missen is een nieuw begin.’
‘Je bent verschrikkelijk, Harry.’
Ze ging behoedzaam op de stoel naast hem zitten, keek naar zijn bagage naast de tafelpoot, zag hoe hij in de soep roerde, vermicelli en gehakte groente naar boven haalde en toen moeizaam en met gesloten ogen van de soep begon te slurpen. Met een scherp geluid zoog hij de soep op, hij deed zijn lippen naar voren en zoog koele lucht naar binnen; elke slok luchtte hem op.
‘En jij, Harry,’ vroeg ze, ‘ben jij getrouwd?’
‘Ongeveer,’ zei hij.
vertaald door Gerrit Bussink
Het begin van iets [fragment]
uit: Het begin van iets : verhalen - Siegfried Lenz