donderdag 19 januari 2012

Uit zijn verkeerde keelgat getrokken

Mijn grootvader vertelde me dat er in het jaar zesenzestig een oorlog was uitgebroken – de oorlog tussen Oostenrijk en Pruisen – die onze keizer Frans Jozef de Eerste had verloren. Want in Berlijn heerste een andere mentaliteit dan in Wenen, waar de mensen liever in het koffiehuis zaten en een kaartje legden of gebak aten. “De Oostenrijkers,” zei mijn grootvader, “zijn geen echt volk, want ze spreken in veel talen en verstaan elkaar niet, en dat geldt ook voor de soldaten en officieren.”
Ik vroeg aan mijn grootvader waarom de Pruisen niet meteen heel Oostenrijk hadden bezet, bijvoorbeeld Wenen, Boedapest, Lemberg en Czernowitz.
“Omdat de Pruisen niet dom zijn,” zei mijn grootvader. “Wat moeten de Pruisen nou met zoveel joden?”
“Dan hebben de joden het rijk van keizer Frans Jozef gered?”
“Dat kun je wel zeggen,” zei mijn grootvader. “Alleen al hun bestaan heeft zijn rijk gered.”

“Heeft hij ons daarom het jaar daarop, in zevenenzestig, gelijke rechten gegeven?”
“Precies,” zei mijn grootvader.
“Maar je hebt me toch verteld dat hij dat heeft gedaan omdat overgrootmoeder die haring uit zijn verkeerde keelgat had getrokken?”
“Daarom ook,” zei mijn grootvader.
“De keizer had dus twee redenen?”
“Ja,” zei mijn grootvader. “Wij joden zijn een voorzichtig volk. Zeker is zeker en twee redenen zijn beter dan één.

vertaald door Elly Schippers

uit: De terugkeer van Jossel Wassermann - Edgar Hilsenrath