We vergaten hem.
Opnieuw omringde ons aan alle kanten het treurig grijs van de stad, dat als schimmel op de ramen groeide: het donker korstmos van de dageraad en de parasitaire zwam van de avondschemer die uitgroeide tot het donzig bont van de lange winternacht. Het behang van de kamers, dat in de dagen van weleer weldadig en soepel was geweest en open voor de bonte vluchten van die gevleugelde heerschare, had zich weer in zichzelf opgesloten, was ondoordringbaar geworden en lalde in de monotonie van zijn verbitterde monologen.
De lampen waren zwart geworden en verdord als oude kaarden en distels. Somber en nors hingen ze daar nu, zachtjes rinkelend met hun glaskristalletjes wanneer iemand zich op de tast een weg zocht door het grijze halfduister van de kamer. Tevergeefs had Adela op alle armen van de lampen gekleurde kaarsen gezet, die slechts een ontoereikend surrogaat en bleek souvenir waren van de prachtige illuminaties die nog maar kort geleden die hangende tuinen deden bloeien. Ach! Waar is dat tsjilpend uitbotten gebleven, dat snel en prachtig rijpen van de vruchten in de boeketten van deze lampen, waaruit als uit exploderende tovertaarten gevleugelde wonderwezens opvlogen, die de lucht in magische kaartspelen uiteensloegen en deze in bont applaus verstrooiden, die schitterend als metaal razend snel achter elkaar naar beneden kwamen in schilfertjes azuur, pauwe- en papegaaiegroen en zo in de lucht lijnen en arabesken, de flitsende sporen van hun vluchten en wervelingen uittekenden en kleurige waaiers van fladderende vleugels openvouwden, die nog lang na het voorbijvliegen in de rijke en verblindende atmosfeer bleven hangen. Nog waren diep in de vergrijsde lucht de echo’s en mogelijkheden van de bonte kleurschitteringen verborgen, maar er was niemand, die met een fluit de vertroebelde luchtlagen probeerde te doordringen of deze met een boor trachtte te doorboren.
vertaald door Gerard Rasch
De vogels [fragment]
uit: De kaneelwinkels - Bruno Schulz