‘Marie was…’
Wat was Marie? Vreemd! ‘Marie’ – het woord op het papier – bewoog, richtte zich op, kreeg een lichaam, daarna twee vleugels, vloog op en drong dwars door zijn oog zijn hersenen binnen. Daar begon het dadelijk te vreten. Nee toch! Dat woorden zich ’s nachts aanstellen, dat wist hij. Maar overdag krijgen woorden geen vleugels, woorden zijn tekens, woorden worden geen vliegen die door een oog binnendringen en je hersenen komen aanvreten. Het bewijs: daar liep het woord, over zijn blad. Met zijn vingertop drukte hij het plat. Dood! Dat gaf een vlek.
Natuurlijk was hij niet bang! Eens kijken wat er gebeurt? Hij probeerde een ander woord:
‘Was.’
Wis en waarachtig, het woord leefde. Poten, een pantser, een zuigsnuit, je zou zeggen zo’n beest dat in hout boort. Het klom langs zijn penhouder omhoog en sprong dan dwars door zijn oog zijn hersenen binnen. Daar begon het dadelijk te vreten. Aha! Toch een beest! Het kroop trouwens over het papier:
‘Je bent er geweest, beest!’
Hij verpletterde het onder zijn nagel. Dat gaf een tweede vlek.
Eens kijken wat er gebeurt! In het wilde weg schreef hij:
‘Je gooit de drab niet in de gootsteen.’
Het krioelde! Het waren geen wormen, want ze zwaaiden met scharen en hadden ook poten zoals kreeften. Maar ze hadden een wormenlijf. Er was geen tijd te verliezen. Zijn vuist kwam neer:
‘Je bent er geweest, wormen!’
Wat een brij! Zijn blad zat helemaal onder de smurrie. Een heel aparte roman was hij daar aan het schrijven! Hij dacht:
‘Ik laat mijn werk aan Germaine zien.’
vertaald door Frans Denissen
Woorden [fragmenten]
uit: Waanzinnen - André Baillon