Overigens maakte de precieze tijd, zeker in kleine dorpen, niet erg veel uit. Tijdsaanduidingen bleven er altijd een beetje vaag, bij benadering, ongeveer, meestal naar gelang van natuurverschijnselen of het kleppen van de kerkklok. Maar vaagheid valt niet te rijmen met de bijna obsessionele drang naar precisie en betrouwbaarheid die besloten ligt in het wezen van de spoorweg, die elke treinrit plant en uitvoert als gaat het om een militaire operatie. De trein moet namelijk precies op tijd vertrekken en ter bestemming aangekomen, dat is de reden van zijn bestaan. Zo kwam het dat, zeker in kleinere plaatsen, een tijdlang twee tijdsaanduidingen naast elkaar bleven bestaan, die op de kerktoren en die van het station, als leefden ze beide in een andere tijdsdimensie.
En in zekere zin was dat ook zo. Het dorp en het station, dat veelal aan de rand van het dorp lag, bleven lang twee heel erg verschillende werelden. Zeker de pastoor hield niet van het station. Het was een oord van verderf, wegens de vele cafés die eromheen hun deuren openden. Het station was een plaats die lak had aan de bestaande, oude ritmes, aan de traditionele opeenvolging van de seizoenen of aan de kerkelijke chronologie en de daaraan verbonden voorschriften. Het station had zijn eigen tijdrekening. Er werd zelfs op zondag gewerkt. Als daar al vroomheid bestond, was ze gewijd aan de tirannie van de klok, die bovendien niet de lokale tijd, maar die van Brussel aangaf. Het station was de sluis waarlangs een vreemde, nieuwe, stadse wereld het dorp binnenstroomde en waarlangs, omgekeerd, dorpelingen hun vertrouwde biotoop konden verlaten om zich te verliezen in de zoveel grotere stad met haar vele, meestal onchristelijke verleidingen. De stationschef was vaak een vreemdeling, een agent van de gewantrouwde staat, iemand die een aparte, maar prestigieuze plaats innam bezijden de lokale, vaak aloude en daarom onwrikbaar geachte hiërarchieën van aanzien en macht. Hij was niet toevallig vaak de eerste liberaal van het dorp.
Dat was de wereld van enkele decennia na de maidentrip. Maar in 1835 deed toch al dat verhaal de ronde van de verschrikte koeien, die na de passage van de trein geen melk meer zouden geven. Het kan een vermakelijke anekdote lijken, maar onder de oppervlakte ervan illustreert ze een conflict tussen twee werelden die zich plots met elkaar geconfronteerd zagen. Aan de ene kant stonden het platteland, de landbouw, de traditie, het dorpse, de beslotenheid en de godsdienst – de koe dus. Aan de andere kant stond een ander complex, dat van de techniek, de industrie, de vooruitgang, de stedelijkheid, het vrijgevochtene en het liberalisme – kortom, de trein. De koeienmythe drukt de angst uit voor een nakend onheil voor de dreiging die rust op een vertrouwde, maar bedreigde, misschien wel ten dode opgeschreven wereld.
Een land in beweging (1830-1848) [fragment]
uit: Een geschiedenis van België - Marc Reynebeau