dinsdag 28 februari 2012

Deze vertroetelde horden

Hierdoor kunnen wij dus reeds twee eigenschappen aanwijzen in de horde-mens onzer dagen: één trek van zijn wezen is de vrije ontplooiing van zijn begeerten en driften, dit wil dus zeggen van zich zelf, en een tweede kenmerkende eigenschap is zijn ingeboren ondankbaarheid ten opzichte van al hetgeen dat zijn bestaan zo heeft vergemakkelijkt. Deze beide trekken zijn de bekende eigenschappen van het verwende kind. Inderdaad, de ziel van de horden heeft zeer veel gemeen met die van een verwend kind. De grote hoop van tegenwoordig, wie de nalatenschap van eeuwen van moeizaam en geniaal streven en zoeken in de schoot is gevallen, is door de wereld verwend. Verwennen is geen perk en paal aan iemands wensen stellen, iemand de indruk geven dat alles hem geoorloofd is en hij tot niets is verplicht. Een kind dat aldus opgroeit leert zijn eigen grenzen niet kennen. Doordat men het steeds vrijwaart voor alle druk van buiten en voor iedere botsing met anderen, komt het er toe te geloven dat het alléén bestaat, en dit kind gewent er aan niet met anderen te rekenen en vooral niet te rekenen met iemand die boven hem gesteld kan zijn. Alleen iemand die sterker was dan dit kind en het gedwongen had een wens op te geven, zich in te houden of te wijken, zou hem de gewaarwording kunnen geven van meerderen, van boven en over hem gestelden. Dan zou dit kind deze eenvoudige tuchtregel hebben geleerd: “Hier eindig ik en hier begint iemand die sterker is dan ik”. De gemiddelde mens van weleer werd in zijn wereld dagelijks aan deze eenvoudige waarheid herinnerd. Zijn wereld was nog maar gebrekkig ingericht, zodat er herhaaldelijk rampen gebeurden er niets stellig of zeker was en alles karig en begrensd was. De nieuwe horden bevinden zich echter op een gebied dat vol mogelijkheden is, en waar alles vast en zeker is. Alles ligt voor hen gereed, het staat alles tot hun beschikking, zonder dat zij er eerst enige moeite voor behoeven te doen. Het is er, zoals wij de zon aan de hemel vinden, zonder dat wij haar daar zelf hebben heen moeten torsen. Geen enkele sterveling is zijn naaste dankbaar voor de lucht die hij inademt, want de lucht is niemands maaksel. Deze behoort tot alles “wat er nu eenmaal is”, “het spreekt van zelf” dat zij er is omdat er geen gebrek aan is. Deze vertroetelde horden zijn kortzichtig genoeg om te menen dat deze maatschappelijke en stoffelijke regeling, waarvan zij het even rustig gebruik hebben als van de dampkring, van dezelfde oorsprong is. Er is immers ook geen gebrek aan naar het schijnt, en zij is bijna even volmaakt als de natuurlijke, vanzelfsprekende dingen.
Wij willen hiermede nu het volgende zeggen: juist de volmaaktheid waarmede de negentiende eeuw sommige gebieden des levens heeft geregeld, is er de oorzaak van dat de horden, die er het genot van hebben, deze regeling niet als mensenwerk beschouwen, maar als een schepping der natuur. Hierdoor ook is de verdwaasde gemoedstoestand van deze horden te verklaren: zij hebben alleen maar oog en hart voor stoffelijk welzijn, en tegelijk keren zij zich tegen de grondslagen waarop dit gemeenschappelijk welzijn berust. Daar zij niet inzien dat de beschaving en haar voordelen voortkomen uit het scheppend vernuft en het ontzagwekkend maaksel van mensenhanden zijn, en alleen gewrocht kunnen worden door onverpoosd zwoegen en spieden, menen deze horden dat het enige wat zij te doen hebben is, dringend eisen alsof wat hun gegeven wordt hun geboorterecht was. Bij de relletjes tengevolge van gebrek schreeuwt het grauw om brood, en het middel dat zij aanwenden is de bakkerijen te vernielen.

vertaald door J. Brouwer

VI Enkele wezenstrekken van de hordemens [fragment]
uit: De opstand der horden - José Ortega y Gasset