Deze vijf jaren waren de gelukkigste van zijn leven. Veel later schreef hij dat toen de wereld voor hem openging als de tovergrot van Aladdin. Twintig tot vijfentwintig – dat zijn dé jaren!
Hij was nu beroepsofficier, huzarenluitenant, en hoewel er in Europa pais en vree heerste, slaagde hij er met zijn avontuurlijke ondernemingslust in deel te nemen aan vijf veldtochten: op Cuba, twee in Indië, in de Soedan en tenslotte, met even sensationele als verstrekkende gevolgen, in Zuid-Afrika.
Men gelooft zijn ogen niet. Eerst de koppig doorstane, verloren, in doffe ellende zicht voortslepende jeugdjaren – en dan deze brandende ijver. Het is alsof er plotseling een heel andere figuur op de planken staat. Vanwaar deze verandering?
De sleutelwoorden staan in Churchills jeugdherinneringen. Van nu af aan was ik mijn lot de baas. Ineens was er niets meer dat pogingen deed om de ontembare te temmen: geen school, geen cadettenkorps en geen overheersende vader. De dood van Lord Randolph betekende het einde van een grote, hopeloze, versmade liefde. De daarin gelegen diepe melancholieke bevrijding is éen verklaring voor het feit dat de jonge Churchill op eenentwintigjarige leeftijd als een strakgespannen, plotseling losgelaten veer vooruitsnelde.
De andere is dat hij, bijna toevallig, in contact was gekomen met zijn wezenlijke beroep: de oorlog.
Men zal het fenomeen Churchill nooit begrijpen als men hem eenvoudig als een politicus en staatsman beschouwt, wie het uiteindelijk ook ten deel viel oorlog te moeten voeren – ongeveer zoals premier Asquith of Lloyd George, Wilson of Roosevelt. Hij was geen politicus die zich op de een of andere manier ook in de oorlog moest waarmaken; hij was een krijgsman die begreep dat bij oorlogvoeren ook politiek hoort. In de reeks Engelse premiers uit de twintigste eeuw, Asquith, Lloyd George, Baldwin, Chamberlain, Attlee, staat hij als een vreemdeling uit een andere wereld. Evenmin hoort hij thuis in de reeks grote beroepsmilitairen van zijn tijd, Foch of Ludendorff, Marshall, Montgomery, Zjoekov of Manstein. Als men hem in zijn juiste omgeving wil plaatsen, moet men aan heel andere, oudere namen denken: Gustaaf Adolf, Cromwell, Eugenius van Savoye, Frederik de Grote, Napoleon – ook zijn grote voorvader Marlborough hoort daarbij, wiens geestesaard in hem weer tot uiting kwam.
Al deze mannen waren tegelijkertijd strateeg, politicus en diplomaat. Allen bereikten echter slechts in de oorlog en door de oorlog hun hoogtepunt, ze waren, zoals Napoleon van zichzelf zei, ‘voor de oorlog geboren’, ze hadden er instinctief verstand van in al zijn aspecten – de strategische, de politieke, de diplomatieke, de moreel-psychologische; en allen hielden ook, op een voor normale mensen moeilijk te begrijpen manier, van de krasse werkelijkheid van de oorlog: kruitdamp, levensgevaar, het dodelijke gevecht van man tegen man. Een oorlog in zijn geheel te overzien en voor te bereiden, met inbegrip van de campagnes en veldslagen, om zich dan zo mogelijk op het beslissende punt zelf met een miraculeus effect in de strijd te storten – daarin vonden deze oorlogsgenieën een levensvervulling en een geluk dat voor hen met niets ter wereld viel te vergelijken. Uit dit hout was Churchill gesneden.
vertaald door Max de Metz
De jonge Churchill [fragment]
uit: Churchill - Sebastian Haffner