woensdag 29 februari 2012

“Democracy” is high on the list of blur-begetters

The common addiction to general words or concepts tends to produce mind blockers or reality distorters. As Clive James has put it, “verbal cleverness, unless its limitations are clearly and continuously seen by its possessors, is an unbeatable way of blurring reality until nothing can be seen at all.”
“Democracy” is high on the list of blur-begetters – not a weasel word so much as a huge rampaging Kodiak bear of a word. The conception is, of course, Greek. Athenian democracy commonly gets high prestige in the sense that the idea, and to some degree the practice, later became widespread – or widely proclaimed – in the West. Pericles, praising the Athenian system, is especially proud of the fact that policies are argued about and debated before being put into action, thus, he says, avoiding “the worst thing in the world,” which is to rush into action without considering the consequences. And, indeed, the Athenians did debate and discuss, often sensibly. One trouble was, and presumably is, that debate can be influenced by plausible but misleading rhetoric.
It was a matter of the free vote by the public (though confined to males and citizens). This has been compared to the early New England town meetings or those of Swiss rural cantons. And clearly there are limits to the number of possible participants.
Its faults are almost as obvious as its virtues. And examples are many – for instance, the sentencing of Socrates (who lost votes because of his politically incorrect speech in his own defense). Or the Athenian assembly voting for the death of all the adult males and the enslavement of all the women and children of Mytilene, then regretting the decision and sending a second boat to intercept, just in time, the one carrying the order. Democracy had the even more grievous result of procuring the ruin of Athens, by voting for the disastrous and pointless expedition to Syracuse against the advice of the more sensible, on being bamboozled by the attractive promises of the destructive demagogue Alcibiades.
Even in failure, the thought-fires it set off went on burning. But the views it posed did not really return to Europe and elsewhere until a quarter of a millennium ago. Thus it was not its example but its theory that hit the inexperienced thinkers of the European Enlightenment. Unfortunately, the inheritance was less about the Periclean need for debate than about the need to harness the People (to a succession of rulers). And though the broader forces of real consensual rule began to penetrate, from England and elsewhere, they had to compete in the struggle for the vote with inexperienced populations and “philosophical” elites.
The revival of the concept of democracy on the European continent saw this huge stress on the demos, the people. They could not in fact match the direct participation of the Athenian demos, but they could be “represented” in principle by any revolutionary regime claiming to do so – often concerned, above all, to repress “enemies of the people.” Also, the people, or those of military age, could be conscripted in bulk – the levée en masse that long defeated more conventional armies. As the nineteenth century continued, the people could be polled in plebiscites and thus democratically authenticated. Napoleon III, of course, relied on this, and it is clear that he actually had high majority support. Marx himself wrote that in the Second Empire, the rulers had to some degree a certain autonomy from any economic class. The peasant majority endorsed them; the state machine was theirs. In any case, the new orders, democratic or not, now had to seek, or claim, authentication by the people, the masses, the population.

Harpooning some word-whales [fragment]
uit: The dragons of expectation : reality and delusion in the course of history - Robert Conquest

dinsdag 28 februari 2012

Deze vertroetelde horden

Hierdoor kunnen wij dus reeds twee eigenschappen aanwijzen in de horde-mens onzer dagen: één trek van zijn wezen is de vrije ontplooiing van zijn begeerten en driften, dit wil dus zeggen van zich zelf, en een tweede kenmerkende eigenschap is zijn ingeboren ondankbaarheid ten opzichte van al hetgeen dat zijn bestaan zo heeft vergemakkelijkt. Deze beide trekken zijn de bekende eigenschappen van het verwende kind. Inderdaad, de ziel van de horden heeft zeer veel gemeen met die van een verwend kind. De grote hoop van tegenwoordig, wie de nalatenschap van eeuwen van moeizaam en geniaal streven en zoeken in de schoot is gevallen, is door de wereld verwend. Verwennen is geen perk en paal aan iemands wensen stellen, iemand de indruk geven dat alles hem geoorloofd is en hij tot niets is verplicht. Een kind dat aldus opgroeit leert zijn eigen grenzen niet kennen. Doordat men het steeds vrijwaart voor alle druk van buiten en voor iedere botsing met anderen, komt het er toe te geloven dat het alléén bestaat, en dit kind gewent er aan niet met anderen te rekenen en vooral niet te rekenen met iemand die boven hem gesteld kan zijn. Alleen iemand die sterker was dan dit kind en het gedwongen had een wens op te geven, zich in te houden of te wijken, zou hem de gewaarwording kunnen geven van meerderen, van boven en over hem gestelden. Dan zou dit kind deze eenvoudige tuchtregel hebben geleerd: “Hier eindig ik en hier begint iemand die sterker is dan ik”. De gemiddelde mens van weleer werd in zijn wereld dagelijks aan deze eenvoudige waarheid herinnerd. Zijn wereld was nog maar gebrekkig ingericht, zodat er herhaaldelijk rampen gebeurden er niets stellig of zeker was en alles karig en begrensd was. De nieuwe horden bevinden zich echter op een gebied dat vol mogelijkheden is, en waar alles vast en zeker is. Alles ligt voor hen gereed, het staat alles tot hun beschikking, zonder dat zij er eerst enige moeite voor behoeven te doen. Het is er, zoals wij de zon aan de hemel vinden, zonder dat wij haar daar zelf hebben heen moeten torsen. Geen enkele sterveling is zijn naaste dankbaar voor de lucht die hij inademt, want de lucht is niemands maaksel. Deze behoort tot alles “wat er nu eenmaal is”, “het spreekt van zelf” dat zij er is omdat er geen gebrek aan is. Deze vertroetelde horden zijn kortzichtig genoeg om te menen dat deze maatschappelijke en stoffelijke regeling, waarvan zij het even rustig gebruik hebben als van de dampkring, van dezelfde oorsprong is. Er is immers ook geen gebrek aan naar het schijnt, en zij is bijna even volmaakt als de natuurlijke, vanzelfsprekende dingen.
Wij willen hiermede nu het volgende zeggen: juist de volmaaktheid waarmede de negentiende eeuw sommige gebieden des levens heeft geregeld, is er de oorzaak van dat de horden, die er het genot van hebben, deze regeling niet als mensenwerk beschouwen, maar als een schepping der natuur. Hierdoor ook is de verdwaasde gemoedstoestand van deze horden te verklaren: zij hebben alleen maar oog en hart voor stoffelijk welzijn, en tegelijk keren zij zich tegen de grondslagen waarop dit gemeenschappelijk welzijn berust. Daar zij niet inzien dat de beschaving en haar voordelen voortkomen uit het scheppend vernuft en het ontzagwekkend maaksel van mensenhanden zijn, en alleen gewrocht kunnen worden door onverpoosd zwoegen en spieden, menen deze horden dat het enige wat zij te doen hebben is, dringend eisen alsof wat hun gegeven wordt hun geboorterecht was. Bij de relletjes tengevolge van gebrek schreeuwt het grauw om brood, en het middel dat zij aanwenden is de bakkerijen te vernielen.

vertaald door J. Brouwer

VI Enkele wezenstrekken van de hordemens [fragment]
uit: De opstand der horden - José Ortega y Gasset

maandag 27 februari 2012

Il treno arriva all’orario

After the First World War, the ailing Italian railway system received new investment. The claim was, according to biographer Denis Mack Smith in Mussolini, that during the 1920s ‘Italian trains were the envy of all Europe’ as ‘Mussolini did his best to make the train service into a symbol of fascist efficiency.’ The alleged improvement was noticed by the Infanta Eulalia of Spain who, in her 1925 book Courts and Countries after the War, suggests that ‘the first benefit of Benito Mussolini’s direction in Italy begins to be felt when one crosses the Italian Frontier and hears “Il treno arriva all’orario.” [“The train is arriving on time.”] Indeed, The Oxford Dictionary of Modern Quotations describes Mussolini famously instructing a stationmaster ‘We must leave exactly on time… From now on everything must function to perfection.”
However, as is common with many politicians, the execution of high ideals often results in a triumph of appearance over achievement. According to Peter Neville in Mussolini, ‘the groundwork on the railways had in fact been carried out before 1922,’ the year that Mussolini came to power. Even with the supposed improvements, Mack Smith reveals that ‘some travellers reported that the celebrated trains running invariably on time were, to some extent at least, a convenient myth’. In The Golden Age Is In Us, Alexander Cockburn quotes US investigates journalist George Seldes in 1936, reporting that ‘while the big express trains were mostly on schedule (though other travellers disputed even this) the local trains had huge delays.’
Cockburn suggests that ‘millions of commuters round the world laud Il Duce’s memory’ simply because ‘Mussolini’s PR men fanned the legend’. Mack Smith agrees that Mussolini’s ‘propaganda was very succesful’, while Neville gives railway efficiency improvement as one example of Mussolini’s spectacular over-hyped success’. What is more, Cockburn claims that ‘Mussolini also took care to ban all reporting of railway accidents and delays.’ When it came to improving the railways, it would appear that the only thing Mussolini really succeded in doing was hoodwinking the Spanish Infanta.

Benito Mussolini made the trains run on time
uit: Queen Elizabeth’s wooden teeth and other historical fallacies - Andrea Barham

donderdag 23 februari 2012

Did Aristotle ever check out his theory of tragedy against a cross-section of the audience at Delphi?

How other people feel and think is, I have suggested, not precisely knowable. But most of us can describe our reactions to some degree, and an asthonishing fact about the history of art-criticism – including literary criticism – is that it has shown virtually no interest in this source of knowledge. It is standard practice for critics to assert how ‘we’ feel in response to this or that artwork, when all they mean is how they feel. Did Aristotle ever check out his theory of tragedy against a cross-section of the audience at Delphi? Apparently not; and criticism has remained resolutely blinkered ever since. The critics of mass art that Carroll dissects invariably base their pronouncements on whatever fanciful image of the masses they happen to favour. Consequently their critiques are essentially a branch of imaginative fiction.
This is particularly apparent when they are driven by political ideals. The Marxist critic Theodor Adorno, for instance, believed that mass art is a capitalist conspiracy designed to keep the masses in subjection by preventing them from developing independent critical intelligence. To this end, he maintains, mass art ‘automatizes and stupefies’ their mental faculties, and prevents them from questioning the existing social order. [Noel] Carroll [in his book A Philosophy of Mass Art] has no difficulty showing that, in fact, many of the stories and stereotypes of mass art (science fiction, for example, and westerns) are about the possibility of social change. But such evidence would make little impression on Adorno, since his convictions about how mass art works bear no relation to any ascertainable facts. He asserts, for example, that film is such a rapid medium that it ‘leaves no room for imagination or reflection on the part of the audience’. They cannot deviate from the precise details on the screen without losing the thread of the story. ‘Sustained thought is out of the question if the spectator is not to miss the relentless rush of facts.’ Consequently film, as a medium, ‘forces its victims to equate it directly with reality’.
Film-goers will receive this news with surprise. Walter Benjamin another critic who draws his evidence exclusively from his imagination, reaches conclusions about film almost diametrically opposed to Adorno’s. He welcomes the advent of film and photography, since they make possible mass-produced art, and replace the semi-religious ‘aura’ of old-style-art-works, which instilled respect for tradition. Films, Benjamin believes, encourage, critical detachment in their audience. Their use of close-ups allows a penetrative scrutiny of the realities of capitalist society. It ‘extends our comprehension of the necessities that rule our lives’, and is ideally suited to develop working-class consciousness and contribute to the proletarian revolution. Further, film does not hold the spectator in thrall as ‘auratic’ art does, but allows divided, intermittent attention. The result is a quite new way of seeing, ‘symptomatic of profound changes in apperception’, that will galvanize concerted criticism in the mass audience.
Evidence that watching film enhances an audience’s cognitive and perceptual powers in the way he claims is entirely lacking from Benjamin’s account, and that is typical of the kind of ‘theoretical’ criticism he is writing.

Is 'high' art superior? [fragment]
uit: What good are the arts? - John Carey

dinsdag 21 februari 2012

Progressively reduced to the final version

Known as the Beggarstaffs, the two British artists and brothers-in-law William Nicholson and James Pryde became friends while in art school and attained respectable reputations as painters before beginning their brief careers as graphic designers in 1894. By using cut paper and lithography, they reduced their images to elementary outlines and flat color areas. The partnership lasted from 1894 to 1899, and produced illustrations, signs and mainly posters. Unfortunately, they were able to find only a few clients, and no more than a dozen of their poster designs were in fact printed. In spite of this, the posters of the Beggarstaffs would soon be a source of inspiration for many designers in Europe and the United States.
Lucian Bernhard’s 1906 design for Priester matches initiated a fundamental transformation in the European approach to advertising posters. The winning entry in a Priester design competition, it showed only two matchsticks and the name Priester on a plain background. Berhnard began with a far more complicated design, replete with dancing girls, a burning cigar, an ashtray, and a a tablecloth. The poster was then progressively reduced to the final version. Only eighteen years old and with no art background, Bernhard inspired an entire generation of poster artists. With an emphasis on lucidity and legibility, this style would become known as the “Plakatstil” (which simply means “poster style” in German).
The Berlin printer Hollerbaum & Schmidt understood the significance of the new Plakatstil and gave commissions to some of the designers using this approach. In addition to Bernhard, these included Hans Rudi Erdt and the Austrian-born Julius Klinger.
Undoubtedly, the leading Plakatstil poster artist was the Munich designer Ludwig Hohlwein. Although he was beholden to Bernhard and the Beggarstaffs, the decorative patterns and nuances of color and shade in his elegant posters place them in their own special realm, and his urbane style would have a major impact on European posters design.
Widely utilized by both the Allies and Central Powers, posters were vital propaganda tools during World War I. As part of the war effort, they were used for fund-raising, recruitment, increasing industrial production, the conservation of resources, and volunteer initiatives. It was the largest marketing operation in history: In the United States alone more than 2,500 designs and 20 million posters were printed. Some were blatantly sentimental, such as the British poster “Daddy, what did YOU do during the Great War?” designed by Saville Lumley. Others were more direct, such as James Montgomery Flagg’s 1917 poster of Uncle Sam pointing an admonishing finger at a potential recruit. German designers such as Bernhard, Klinger, Gipkins, Erdt, and Hohlwein all rose to the occasion and created immensely effective posters. Their designs contrasted sharply with the more traditional illustrative approach seen in posters for the Allies, and reflected the innovations of the Vienna Secession and the Plakatstil.

uit: The poster : 1,000 posters from Toulouse-Lautrec to Sagmeister - Cees W. de Jong (ed.)

zaterdag 18 februari 2012

Een dag zonder vonk, jump of impetus

Gisteren! Eén van de onzinnigheden, maar zeker niet de ergste, die je worden opgedrongen als je het over de treurbuis hebt zoals ik hier, is dat je altijd gisteren moet schrijven, terwijl je vandaag bedoelt.
Zou dat poëzie zijn?
Dichters zeggen ‘kleppende arendspennen’ als ze vleugels bedoelen en ‘ploegend akkerbeest’ als ze het hebben over een rund. Zo zeg ik ‘gisteren’ in plaats van ‘vandaag’. (Wie weet ben ik iets van een dichter.)
Maar verder verliep gisteren alles normaal. Het was een doodgewone dag.
Het was een dag zonder vonk, jump of impetus.
Het was ook een dag zonder hoela-hoep, hotpants of Hermann Hesse, daar niet van.
Werkelijk heel gewoontjes. Veertien maal opende ik de deur van mijn kamer en veertien maal sloot ik hem weer. Ik legde driehonderdnegenenveertig traptreden af.
Negentien maal stak ik een sigaar aan. Eenmaal probeerde ik hem met mijn vulpen aan te steken, eenmaal met een andere sigaar en twee keer met mijn pink.
De mensen zeggen dat ik verstrooid ben. Er was dus werkelijk niets aan de hand.
’s Middags (gistermiddag!) ging ik winkelen en consumeerde dusdoende drie kilometer en honderdtachtig meter. Ik gaf een keer f 1,75 uit, een keer f 2,83 en zelfs een keer f 35,50.
De eerste keer betaalde ik met twee gulden en kreeg een kwartje terug, de tweede keer betaalde ik met vijf gulden en kreeg f 2,17 terug en de laatste keer betaalde ik met honderd gulden en kreeg er viereneenhalf terug.
Dat laatste merkte ik pas toen ik het warenhuis al had verlaten. Er was werkelijk niets aan de hand.
Op straat telde ik zeven houten benen, vierentwintig krukken, een tiental breukbanden en negen glazen ogen. Slechts één man droeg alle hulpmiddelen. Hij leek sprekend op Henk Jurriaans.
Van de vrouwen zag ik er drie die me herinnerden aan een aardvarken, vier leken sprekend op een waterkoe en vijfentwintig bootsten een walrus na.
Tweemaal kwam ik een kennis tegen, en ik ving onder meer de volgende woorden van ze op: Timboektoe, tumor, toendra. Oergewone woorden eigenlijk.
Het was in alles een oergewone dag.
’s Avonds (gisteravond!) keek ik naar de tv. Nu, dat was nog een hele belevenis.
Hoewel: had je ‘m wel ingeschakeld? De mensen zeggen dat je zó verstrooid bent… Ach, ook als je het wel had gedaan, was er niets aan de hand geweest.

uit: Horen, Zien en Zwijgen : vreugdetranen over de treurbuis - Gerrit Komrij

donderdag 16 februari 2012

Dracula was a junkie

Bela Lugosi was my favorite – not only my favorite Dracula, but also my favorite actor. As a matter of fact, he was my favorite man. I had a poster of him in Tod Browning’s 1931 Dracula on the wall above my bed. I loved his dark eyes, his widow’s peak. His accent gave me goose bumps. Bela was a real gentleman, like Mr. Rochester, or – even better – Heathcliff in Wuthering Heights, who’s actually referred to as a vampire, a ghoul, and a devil. In fact, when I saw Bela lying there in his coffin in Dracula, I thought of Heathcliff in rigor mortis with that “horrible sneer” on his face.
When I was thirteen, we had a “balloon debate” in history class, a kind of staged argument where you had to pretend to be a famous person from history. The premise of this game was that a number of important historical figures were passengers in a hot-air balloon that was rapidly losing steam, and only one could survive. You had to make the case why you were more important than the other people in the balloon, and everyone got to vote on who should be thrown overboard. I won the debate by a resounding majority, managing to convince the rest of the class that I, Bela Lugosi, was of far more importance to the course of history than any of my fellow passengers, including Margaret Thatcher, Winston Churchill, Henry VIII, and Bob Marley.
I loved Bela, and I believed in him. Bela was more than a man. To me, he had glamour, in its original sense: the casting of a spell. Bela had me enraptured. I imagined going to stay with him in Castle Dracula. A coach would pull up outside my house, driven by a mystery coachman, all in black. Its door would open slowly. Nothing would be said. I’d climb inside, and be taken away from my dreary life forever.
Imagine my dismay, then, when the spell turned into a curse. One day, rooting through a used bookstore, I came across a copy of Kenneth Anger’s scurrilous Hollywood Babylon, with its startling tabloid shots of a washed-up, gray-haired Lugosi. Aghast, disbelieving, I was devastated by Anger’s bitchy, lubricious amount of how Bela was so hard up when he died that his current wife and an ex-wife collectively could hardly scrape together the money for a funeral. He was a ghoul after all, it turned out; not a vampire but a dope fiend, fatally hooked on morphine. I’d imagined him living in a huge Gothic mansion in the Hollywood Hills, not unlike Castle Dracula, but it turned out he lived in a cheap rented apartment in a dodgy part of Hollywood. Dracula was a junkie. I was sickened – not just by the seedy pictures, unassailable in their starkness, but by the sudden unwanted intrusion of real life into my private world, and by (of all things) a book. Books were my friends! Books were the fuel that fed my fantasies, not the source of their destruction. I had enough of that in real life.
Et tu, Brute?
I bought Hollywood Babylon on the spot, and read it so often I came to know the snide photo captions by heart. It was a book of tremendous importance to me. It was the first book to stop me in my tracks, the first to make me reconsider things I’d always accepted without question. Instead of giving me refuge in a fantasy world, it helped me to see things as they really are, all the insects crawling under the stones.

Behind the scenes [fragment]
uit: The solitary vice : against reading - Mikita Brottman

dinsdag 14 februari 2012

Ode aan de code

Balk van betekenis
Toffee van taal
Papieren parloir
Gesloten lade
Close reading
Doos vol dromen
Leven in een blikje
Sediment van sentiment
Hartvanger
Bladerdeeg
Aquarium voor personages
Tablet van vergetelheid
Handvol illusie
Kluis in eigen huis
Wagon vol gesprekken
Slaaptablet
Geheime safe
Moordkuil
Trein naar nergens
Scheepje van papier
Baken in de levensmist
Inktvis
Huiskamerzonde
Bijbel voor lichtgelovigen
Ode aan de code
Woordengraf

Boek
uit: C : honderd notities van een alleslezer - Paul Claes

maandag 13 februari 2012

Niet een boek of een pen maar een spinrokken of een klos

Motieven voor de wet:
Overwegende de ernstige nadelen die voor beide seksen het gevolg zijn van de omstandigheid dat vrouwen kunnen lezen.
Overwegende dat het de bedoeling van de goede, wijze natuur was dat vrouwen, die uitsluitend bezig zouden zijn met huishoudelijke werkzaamheden, er trots op zouden zijn in hun handen niet een boek of een pen maar een spinrokken of een klos te houden.
Overwegende dat de natuur zelf, door vrouwen toe te rusten met een opmerkelijke spreekvaardigheid, hun de zorg van het leren lezen en schrijven schijnt te hebben willen besparen.
Overwegende dat het aardige gebabbel van vrouwen dubbel en dwars het gebrek aan stijl bij hen zal vergoeden.
Overwegende dat de burgermaatschappij bij het verdelen van de rollen vrouwen slechts een passieve rol heeft toebedeeld. Hun rijk heeft als grenzen de drempel van het ouderlijk of echtelijke huis. Daar heersen ze werkelijk; daar stellen ze door hun dagelijkse zorgen de mannen schadeloos voor het werk en de inspanningen die ze buitenshuis te verduren hebben. Als liefdevolle, meegaande partners hoeven vrouwen geen ander overwicht te krijgen dan het overwicht door hun bevalligheid en particuliere deugden.
Overwegende dat Marguerite de Navarre, de eerste vrouw van Henri IV, minder losbandig zou zijn geweest als ze niet had kunnen schrijven. Een vrouw die de pen vasthoudt, denkt dat ze het recht heeft om zich meer te permitteren dan iedere andere vrouw die alleen met de naald weet om te gaan.
Overwegende dat als Catharina de Médicis helemaal niet had kunnen lezen, er in Frankrijk helemaal geen Bartholomeüsnacht was geweest.
Overwegende hoeveel verwoestingen romans en godsdienstige geschriften aanrichten in het gevoelige brein van vrouwen.
Overwegende hoe besmettelijk lezen is: zodra een vrouw een boek openslaat, denkt ze dat ze in staat is er een te schrijven.
Overwegende dat een vrouw gewoonlijk in bevalligheid en zelfs in zedelijke gedrag erop achteruit gaat naarmate ze erop vooruitgaat in kennis en talent. Zodra een vrouw kan lezen en schrijven, denkt ze dat ze geëmancipeerd is en niet langer onder de voogdij staat waaronder de natuur en de maatschappij haar in haar eigen belang hebben gesteld.
Overwegende dat wanneer de oorzaak is verdwenen, het gevolg vanzelf wegvalt: zo zullen vrouwen als ze niet meer kunnen lezen, niet meer die lachwekkende kuren vertonen die vrouwelijke diplomaten die vanuit een boudoir, met de Publiciste in de hand, over imperia beschikken, koningen en republieken hun deel toekennen, enz.
Overwegende dat de hoedanigheid van vrouw die kan lezen niets toevoegt aan de verheven en aandoenlijke titel van goede dochter, goede echtgenote en goede moeder, noch aan de middelen om de lieflijke, heilige plichten die deze titels met zich meebrengen te vervullen.
Overwegende dat de plaats van de vrouw geenszins op de schoolbanken is en nog minder op een leerstoel in de theologie, natuurkunde of rechten.
Overwegende dat de best onderrichte, wijste vrouwen de wetenschappen en kunsten nooit met enige ontdekking hebben verrijkt. ‘Er zijn nooit vrouwelijke uitvinders geweest,’ zei Voltaire in zijn Questions encyclopédiques. Zelfs de uitvinding van het verbandgaas wordt niet aan een vrouw toegeschreven.
Overwegende de vroegtijdige dood van verscheidene jonge meisjes die door hun moeders waren gedwongen tot de studie van talen en andere wetenschappen die allemaal even weinig passen bij de krachten en natuurlijke voorliefde van een jonge vrouw.
Overwegende dat de Zuidamerikaanse vrouwen in hun eentje de hele last van de huishouding dragen, en pijnloos bevallen; ze zouden minder robuust, minder gezond en ijverig zijn als ze konden lezen. Het is bewezen dat vrouwen die schrijven minder vruchtbaar zijn dan anderen. Het voorbeeld van de heilige Brigitta, moeder van twaalf kinderen en schrijfster van twaalf boekdelen, bewijst niets: het voorbeeld van een heilige is slechts een uitzondering.

DIENTENGEVOLGE:
De REDE wil (ook al moest ze voor vandaal doorgaan) dat vrouwen (meisjes, getrouwde vrouwen of weduwen) nooit hun neus in een boek steken, nooit een pen ter hand nemen.
De REDE wil dat iedere sekse op zijn plaats zit en daar blijft.
(…)

vertaald door Nini Wielink

Ontwerp voor een wet die een verbod inhoudt om vrouwen te leren lezen (1801) – Sylvain Maréchal [fragment]
uit: Vrouwen zijn mislukte mannen : 2000 jaar minachting voor de vrouw in 2000 citaten - Benoîte Groult (samenst.)

zondag 12 februari 2012

Omdat hun jeugd omwille van de contracten moet voortduren

24 februari 18...
Ik heb altijd een hekel gehad aan die grote, door Haussmann ontworpen boulevards. De mensen die haar verveeld bevolken doen mij denken aan een uitspraak van de heilige Paulus: “De prijs van de lust is de dood”. Witgekalkte graven zijn het. Wondermooie vrouwen die als vlinders zo haastig leven, onzeker over hun schoonheid onder het gips en het plamuur; mannen die in vrouwen een voortzetting van de buik van hun moeder zien en die nog steeds leven op hun eierstokken, hun bloed en hun pus; mannen die op het verkeerde paard hebben gewed en mannen die zich bukken om een groen stukje papier op te rapen waar of een cent of een fortuin in kan zitten en een ober die, terwijl hij de voorbijgangers voor de voeten loopt, een palmboom in een bak naar de kant van de straat sjouwt om de suggestie te wekken dat dit de weg naar Damascus is.

28 februari 18…
Niets maakt zo treurig als populariteit. Ze geeft de wrange nasmaak die we ook proeven nadat we een vrouw hebben bezeten. Populariteit is hetzelfde als een vrouw in je armen nemen, het opperste genot voelen naderen en na een kort moment van rust ervaren dat de navelstreng weer wordt doorgeknipt. Het waas van droefheid van de pasgeborenen met hun brede voorhoofden, ogen vol slijm, pijnlijk vertrokken mond en verkreukeld geslacht legt zich opnieuw over ons heen. Ik weet wat het is om populair te zijn, dat heb ik geloof ik al gezegd. Al toen ik jong was had ik een hoge dunk van mezelf, omdat ik vijf lijken bij het hekwerk van de molen had ontdekt.
Wat komt de ouderdom snel bij vroegrijpe kinderen. Wonderkinderen die op hun zevende viool kunnen spelen zijn op hun twintigste oud. Van al dat applaus hebben ze een vermoeide ziel gekregen. Successievelijk krijgen ze allemaal vrouwelijke trekjes. Als ze dertien zijn doen de impresario’s er alles aan om hen kinderlijk te laten ogen. Ze verwijderen hun lichaamshaar. Op de avondjes ter ere van hen worden ze door vrouwen gekust alsof ze lammetjes en door mannen alsof ze vrouwen zijn. Ze hebben alle geneugten leren kennen behalve het zinnelijk genot; maar omdat hun jeugd omwille van de contracten moet voortduren, leveren de impresario’s hen over aan kunstcritici die hun genialiteit ontluisteren en inperken zodat die razendsnel verdort. En zo staan de zeventien jaren van dit vroegrijpe kind gelijk aan de vijfenvijftig jaren van een in goeden doen geraakte koopman die zich op het genot werpt en die zich geeft aan de soldaten in de vestingen en aan de dagloners die de nacht doorbrengen in een treinwagon op een dood spoor.

vertaald door Madeleine Verhoeven en Eva te Velde

uit: Blauwe onschuld : intiem dagboek - Baron de Lascano Tegui

vrijdag 10 februari 2012

My Norman descent



uit: What a life! : an autobiography - E.V. Lucas en George Morrow

donderdag 9 februari 2012

Een bospad dat men inslaat ontsluit niet het hele bos

Tot zo ver Hitlers tweede theorie, zijn antisemitische, die geheel losstaat van zijn eerste, de ‘völkische’, en daar zelfs maar moeilijk mee valt te rijmen. Samen vormen deze twee theorieën wat men het ‘hitlerisme’ kan noemen, de gedachtenwereld van de ‘programmaticus’ Hitler, in bepaalde opzichten zijn tegenhanger van het marxisme.
Met het marxisme heeft het hitlerisme minstens één ding gemeen: de pretentie de hele wereldgeschiedenis vanuit één punt te verklaren: ‘De geschiedenis van iedere maatschappij die tot dusver heeft bestaan, is een geschiedenis van klassenstrijd,’ heet het in het Communistisch Manifest, en op precies dezelfde manier zegt Hitler: ‘Alles wat er gebeurt dat van wereldhistorisch belang is, is alleen maar de uiting van het instinct tot zelfbehoud der rassen.’ Van zulke zinnen gaat een grote suggestieve kracht uit. Wie ze leest heeft het gevoel dat hem plotseling een licht opgaat: het verwarde wordt eenvoudig, het moeilijke gemakkelijk. Degene die ze gehoorzaam accepteert, geven het prettige idee voorgelicht en op de hoogte te zijn, en ze verwekken bovendien een soort geïrriteerd ongeduld ten opzichte van degenen die ze niet accepteren, omdat in deze woorden altijd iets doorklinkt van ‘… en de rest is allemaal bedrog’. Deze mengeling van superioriteitsgevoel en intolerantie treft men evenveel aan bij overtuigde marxisten als bij overtuigde ‘hitleristen’.
Maar het is natuurlijk een vergissing te denken dat ‘alles uit de geschiedenis’ dit of dat is. De geschiedenis is een oerwoud, en een bospad dat men inslaat ontsluit niet het hele bos; de geschiedenis kent klassenstrijd en rassenstrijd en bovendien (en dat veelvuldiger) oorlogen tussen staten, volken, religies, ideologieën, koningshuizen, partijen enz. Er bestaat geen enkele menselijke eigenschap die niet onder bepaalde omstandigheden met een andere in een conflictsituatie kan raken – en op een bepaald moment in de geschiedenis ook is geraakt.
Maar de geschiedenis – en dat is de tweede vergissing in zulke dictatoriale slagzinnen – bestaat niet uitsluitend uit oorlogen. Zowel volken als klassen (om ons daartoe te beperken) hebben veel langer in vrede dan in oorlog met elkaar geleefd, en de middelen die zij daartoe hebben aangewend zijn in historisch opzicht minstens even interessant en geschiedkundig net zo de moeite van het onderzoeken waard als de oorzaken waardoor ze steeds weer met elkaar in oorlog raakten.
Een van deze middelen is de staat en wat dit betreft is het merkwaardige dat deze in Hitlers politieke systematiek een zeer ondergeschikte rol speelt. In een heel ander verband, namelijk toen wij ons bezighielden met Hitlers prestaties, kwamen wij al tot de verrassende ontdekking dat hij geen staatsman was en dat hij reeds lang voor de oorlog de Duitse staatshuishouding zelfs zoveel mogelijk ontregelde en door een chaos van ‘staten in de staat’ verving. Hier vinden we nu in Hitlers gedachtenwereld de theoretische motivering voor dit wangedrag. Hitler interesseerde zich niet voor de staat, begreep niets van de staat en had minachting voor de staat. Bij hem kwam het alleen op volken en rassen aan, niet op staten. De staat was voor hem ‘alleen een middel om het doel te bereiken’ en dat doel was in het kort gezegd oorlogvoeren. Aan oorlogsvoorbereiding heeft hij het in de jaren 1933-1939 dan ook niet laten ontbreken, maar wat hij construeerde was een oorlogsmachine, geen staat. En dat zou zich wreken.

vertaald door Max de Metz

Vergissingen [fragment]
uit: Kanttekeningen bij Hitler - Sebastian Haffner

dinsdag 7 februari 2012

Zijn wezenlijke beroep: de oorlog

Toen hij twintig was, was Winston Churchill hopeloos mislukt op school en niet eens geslaagd voor zijn eindexamen, een overrijpe cadet met wie zijn eigen familie geen raad wist, een ‘niet’ in de ogen van zijn stervende vader. In de volgende vijf jaar begon men in Londense politieke kringen van jaar tot jaar wat meer over hem te praten – met gespitste oren, geamuseerd, benieuwd, hier en daar al vol verwachting. Toen hij vijfentwintig was, sprak heel Engeland over hem. Hij was een nationale held geworden.
Deze vijf jaren waren de gelukkigste van zijn leven. Veel later schreef hij dat toen de wereld voor hem openging als de tovergrot van Aladdin. Twintig tot vijfentwintig – dat zijn dé jaren!
Hij was nu beroepsofficier, huzarenluitenant, en hoewel er in Europa pais en vree heerste, slaagde hij er met zijn avontuurlijke ondernemingslust in deel te nemen aan vijf veldtochten: op Cuba, twee in Indië, in de Soedan en tenslotte, met even sensationele als verstrekkende gevolgen, in Zuid-Afrika.
Men gelooft zijn ogen niet. Eerst de koppig doorstane, verloren, in doffe ellende zicht voortslepende jeugdjaren – en dan deze brandende ijver. Het is alsof er plotseling een heel andere figuur op de planken staat. Vanwaar deze verandering?
De sleutelwoorden staan in Churchills jeugdherinneringen. Van nu af aan was ik mijn lot de baas. Ineens was er niets meer dat pogingen deed om de ontembare te temmen: geen school, geen cadettenkorps en geen overheersende vader. De dood van Lord Randolph betekende het einde van een grote, hopeloze, versmade liefde. De daarin gelegen diepe melancholieke bevrijding is éen verklaring voor het feit dat de jonge Churchill op eenentwintigjarige leeftijd als een strakgespannen, plotseling losgelaten veer vooruitsnelde.
De andere is dat hij, bijna toevallig, in contact was gekomen met zijn wezenlijke beroep: de oorlog.
Men zal het fenomeen Churchill nooit begrijpen als men hem eenvoudig als een politicus en staatsman beschouwt, wie het uiteindelijk ook ten deel viel oorlog te moeten voeren – ongeveer zoals premier Asquith of Lloyd George, Wilson of Roosevelt. Hij was geen politicus die zich op de een of andere manier ook in de oorlog moest waarmaken; hij was een krijgsman die begreep dat bij oorlogvoeren ook politiek hoort. In de reeks Engelse premiers uit de twintigste eeuw, Asquith, Lloyd George, Baldwin, Chamberlain, Attlee, staat hij als een vreemdeling uit een andere wereld. Evenmin hoort hij thuis in de reeks grote beroepsmilitairen van zijn tijd, Foch of Ludendorff, Marshall, Montgomery, Zjoekov of Manstein. Als men hem in zijn juiste omgeving wil plaatsen, moet men aan heel andere, oudere namen denken: Gustaaf Adolf, Cromwell, Eugenius van Savoye, Frederik de Grote, Napoleon – ook zijn grote voorvader Marlborough hoort daarbij, wiens geestesaard in hem weer tot uiting kwam.
Al deze mannen waren tegelijkertijd strateeg, politicus en diplomaat. Allen bereikten echter slechts in de oorlog en door de oorlog hun hoogtepunt, ze waren, zoals Napoleon van zichzelf zei, ‘voor de oorlog geboren’, ze hadden er instinctief verstand van in al zijn aspecten – de strategische, de politieke, de diplomatieke, de moreel-psychologische; en allen hielden ook, op een voor normale mensen moeilijk te begrijpen manier, van de krasse werkelijkheid van de oorlog: kruitdamp, levensgevaar, het dodelijke gevecht van man tegen man. Een oorlog in zijn geheel te overzien en voor te bereiden, met inbegrip van de campagnes en veldslagen, om zich dan zo mogelijk op het beslissende punt zelf met een miraculeus effect in de strijd te storten – daarin vonden deze oorlogsgenieën een levensvervulling en een geluk dat voor hen met niets ter wereld viel te vergelijken. Uit dit hout was Churchill gesneden.

vertaald door Max de Metz

De jonge Churchill [fragment]
uit: Churchill - Sebastian Haffner

maandag 6 februari 2012

The object of need becomes pulverized by the dimension of language

From early childhood, you have to use speech to express your needs. But the minute you use words to express something, you are in another register. If you need water, asking for it changes things.
The water matters less than whether my mother gives it to me.
The object of need becomes pulverized by the dimension of language: what matters now is not the object, the water, but the sign of love. Speaking thus introduces a particular form of loss in the world. To speak is to make the object vanish, since one is speaking to someone else.
The object of need becomes eclipsed in the demand.

uit: Lacan : a graphic guide - Darian Leader en Judy Groves

zaterdag 4 februari 2012

De eerste liberaal van het dorp

De spoorweg was het eerste tastbare netwerk dat het hele land en zijn bevolking met elkaar in contact bracht en bijgevolg ook de oude beslotenheid en autarkie openbrak. De impact van de trein op het dagelijkse leven valt hoe dan ook moeilijk te onderschatten. Bijvoorbeeld dat het hele land voortaan exact dezelfde tijd hanteerde. Tevoren had elke plek in het land haar eigen tijd, die ze meedeelde via de klok van de kerktoren of het stadhuis. Die gaf de plaatselijke zonnetijd aan. Niet dat de verschillen in een klein land als België zo hoog opliepen, maar toch.
Overigens maakte de precieze tijd, zeker in kleine dorpen, niet erg veel uit. Tijdsaanduidingen bleven er altijd een beetje vaag, bij benadering, ongeveer, meestal naar gelang van natuurverschijnselen of het kleppen van de kerkklok. Maar vaagheid valt niet te rijmen met de bijna obsessionele drang naar precisie en betrouwbaarheid die besloten ligt in het wezen van de spoorweg, die elke treinrit plant en uitvoert als gaat het om een militaire operatie. De trein moet namelijk precies op tijd vertrekken en ter bestemming aangekomen, dat is de reden van zijn bestaan. Zo kwam het dat, zeker in kleinere plaatsen, een tijdlang twee tijdsaanduidingen naast elkaar bleven bestaan, die op de kerktoren en die van het station, als leefden ze beide in een andere tijdsdimensie.
En in zekere zin was dat ook zo. Het dorp en het station, dat veelal aan de rand van het dorp lag, bleven lang twee heel erg verschillende werelden. Zeker de pastoor hield niet van het station. Het was een oord van verderf, wegens de vele cafés die eromheen hun deuren openden. Het station was een plaats die lak had aan de bestaande, oude ritmes, aan de traditionele opeenvolging van de seizoenen of aan de kerkelijke chronologie en de daaraan verbonden voorschriften. Het station had zijn eigen tijdrekening. Er werd zelfs op zondag gewerkt. Als daar al vroomheid bestond, was ze gewijd aan de tirannie van de klok, die bovendien niet de lokale tijd, maar die van Brussel aangaf. Het station was de sluis waarlangs een vreemde, nieuwe, stadse wereld het dorp binnenstroomde en waarlangs, omgekeerd, dorpelingen hun vertrouwde biotoop konden verlaten om zich te verliezen in de zoveel grotere stad met haar vele, meestal onchristelijke verleidingen. De stationschef was vaak een vreemdeling, een agent van de gewantrouwde staat, iemand die een aparte, maar prestigieuze plaats innam bezijden de lokale, vaak aloude en daarom onwrikbaar geachte hiërarchieën van aanzien en macht. Hij was niet toevallig vaak de eerste liberaal van het dorp.
Dat was de wereld van enkele decennia na de maidentrip. Maar in 1835 deed toch al dat verhaal de ronde van de verschrikte koeien, die na de passage van de trein geen melk meer zouden geven. Het kan een vermakelijke anekdote lijken, maar onder de oppervlakte ervan illustreert ze een conflict tussen twee werelden die zich plots met elkaar geconfronteerd zagen. Aan de ene kant stonden het platteland, de landbouw, de traditie, het dorpse, de beslotenheid en de godsdienst – de koe dus. Aan de andere kant stond een ander complex, dat van de techniek, de industrie, de vooruitgang, de stedelijkheid, het vrijgevochtene en het liberalisme – kortom, de trein. De koeienmythe drukt de angst uit voor een nakend onheil voor de dreiging die rust op een vertrouwde, maar bedreigde, misschien wel ten dode opgeschreven wereld.

Een land in beweging (1830-1848) [fragment]
uit: Een geschiedenis van België - Marc Reynebeau

vrijdag 3 februari 2012

Naar de sfeer van de erfelijkheid

Hoeveel diersoorten bezitten niet direct na hun geboorte het vermogen om zelfstandig te leven uitsluitend dankzij een zenuwapparatuur waarvan wij niet eens kunnen dromen, en aangeboren vaardigheden waarvoor wij, voorzover we ze nodig hebben, jarenlang enorm moeten zwoegen! De natuur heeft ons van duizend fantastische eigenschappen beroofd en ons daarvoor in de plaats wel het intellect gegeven, maar tegelijk heeft ze ogenschijnlijk vergeten dat we ons op de wereld hoofdzakelijk met dat intellect moeten redden. Als ze dat had beseft, had ze veel fundamentele kennis naar de sfeer van de erfelijkheid overgebracht.

vertaald door Gerard Rasch

Instinct of ervaring [fragment]
uit: Onverplichte lectuur - Wisława Szymborska

donderdag 2 februari 2012

De afwezigheid van een conflict

Onverschillilg welk genre, of het nu literatuur is of film of het produkt van beeldende kunst: kitsch wordt in de allereerste plaats gedefinieerd door de afwezigheid van een conflict. Zoals kunst slechts door conflict ontstaat, dit erin tot uitdrukking wordt gebracht en daardoor als garantie van echtheid van alle kunsten wordt begrepen, zo kent kitsch deze herkomst niet, doet voorkomen alsof hij uit het hoofd van een Zeus is ontsproten die echter een tuinkabouter is.
De overdreven ‘schoonheid’ van kitsch, zijn verslaving veroorzakende sentimentaliteit en geesteloosheid blijken er al uit dat hierin, onder ontkenning van het principe dat ieder voortbrengen een activiteit van tegenstellingen is, een onwerkelijke harmonie wordt weergegeven. Niet harmonie als geslaagd evenwicht van tegenstrijdige elementen en krachten, maar harmonie ver vóór ieder inzicht in het samengaan van tegenstellingen. Daarom kent deze harmonie geen rest, is een rekening, die volledig en al te glad is opgegaan. In zo’n harmonie, voor het scheppen waarvan de fade-out van iedere realiteit vereist is, komt het ontbreken van intellect tot uitdrukking, ja, van intelligentie in het algemeen, zelfs van instinct dat dan nog in elk geval het dialectische wezen van alle dingen aanvoelt. Geborneerdheid tegenover alles en iedereen is voorwaarde voor kitsch; alleen het onbelemmerde gebrek aan inzicht kan een beeld van een harmonie die vals is omdat ze een harmonie zonder meer is, tot stand brengen.
En toch, wij merken het aan onze eigen reactie, aan de ontroering bij het opnemen, is daarin een weerschijn van het verlangde, van de utopie eindelijk verlost te zijn van het leed van de wetenschap dat wij uit de tegenstellingen steeds slechts weer tot verdere varianten van pijnlijke ervaringen kunnen komen. In zoverre geeft ktisch het geluk aan, de zaligheid van het even een momentje kunnen vergeten, dat noodzakelijk is, en vanuit deze noodzakelijkheid haalt kitsch het recht om er permanent te zijn.

vertaald door Martin Mooij

Kitsch 1
uit: Vertraagde monologen - Günter Kunert